Nadat de Heer Jezus eerst de twaalf discipelen heeft

Nadat de Heer Jezus eerst de twaalf discipelen heeft
uitgezonden om het Koninkrijk Gods te verkondigen, zendt
Hij nog eens zeventig van Zijn volgelingen uit met de
opdracht de zieken te genezen en de boze geesten te
onderwerpen. (Luc.10:1t/m20) De macht en de kracht om
dit te kunnen doen ontvingen deze trouwe volgelingen van
Jezus zelf en Hij gaf hen die vanuit het hemelse Koninkrijk
van Zijn Vader. Dit Koninkrijk was met de bediening van
Christus nabij de mensen gekomen en nu gaf de Meester
voor het eerst deze autoriteit over aan Zijn geliefde
volgelingen om Zijn werk uit te breiden. Op hun beurt
brachten zij met hun prediking het Koninkrijk van God en
de kracht die zij daaruit ontvingen, de genade en steun van
God nabij de gewone mensen om hen van dienst te zijn.
(Luc.10:9)
Steeds wanneer het Koninkrijk van God zich door de leden
van Christus tussen de nog onwetende en onder de zonde
gebukt gaande bevolking manifesteert, ontstaat er een
botsing met het koninkrijk van satan omdat in de hemelse
gewesten deze twee tegengestelde krachten elkaar raken.
Dit was de grote primeur toen Jezus voor het eerst in de
menselijke geschiedenis vanwege de wil van Zijn Vader
ermee begon mensen van hun ziekten te genezen en boze
geesten buiten te werpen. Vele van deze demonen wierpen
zich daarbij voor de voeten van de Messias en erkennen dat
Hij Gods Zoon is. ‘En de onreine geesten wierpen zich voor
Hem neder, telkens als zij Hem zagen, en zij schreeuwden,
zeggende: Gij zijt de Zoon van God. En herhaaldelijk
verbood Hij hun Hem bekend te maken.’ (Marc.3:11,12) Bij
deze confrontaties gaat het er soms luidruchtig en
spectaculair aan toe maar steeds blijkt het Licht van
Christus sterker te zijn dan iedere onreine geest. De kracht
van God is in de Heer Jezus aanwezig en steeds worden
mensen door Hem van duisternis verlost en in de vrijheid
gesteld. ‘De Geest des Heren is op Mij, daarom, dat Hij Mij
gezalfd heeft, om aan armen het evangelie te brengen; en
Hij heeft Mij gezonden om aan gevangenen loslating te
verkondigen en aan blinden het gezicht, om verbrokenen
heen te zenden in vrijheid, om te verkondigen het
aangename jaar des Heren.’ (Luc.4:18-19) Ook Zijn
volgelingen hebben van Hem gezien en geleerd om als
arbeider met de kracht van Gods Koninkrijk te werken en
ook zij winnen terrein en verdrijven satan. Daarbij
geschieden dezelfde wonderen omdat ook in hen Christus’
autoriteit en kracht steeds aanwezig is door wie zij hun
opdracht kunnen uitvoeren. In het leven van Johannes en
Jacobus is bij het volgen van hun geliefde Meester Jezus
reeds zoveel licht en kracht van God gekomen dat zij net als
Hij er om bekend werden de zieken te genezen en onreine
geesten uit te drijven. Wellicht om deze reden geeft Jezus
hen de toepasselijke bijnaam ‘Boanerges’, zonen des
donders. Bliksem en donder doen zich immers alleen voor
wanneer in ‘de lucht’ positieve lading op negatieve lading
botst. (Marc. 3:17)
Op weg naar het midden van de tuin waar de Levensboom
te vinden was terwijl de eerste mensen zich dus geestelijk
proberen te ontwikkelen, ontmoeten zij de oude slang op
hun pad. Dit sluwe beest staat onder de directe
beďnvloeding van de satan en spreekt tot Eva om haar
uiteindelijk te beletten dat zij en haar man van de
Levensboom zullen gaan eten, doch in plaats daarvan van
de boom der kennis van goed en kwaad. Soms hoor je de
opmerking, waarom liet God de slang toe in de Hof? Maar
de toegang tot de ‘tuin van geestelijke ontwikkeling’ had
satan immers van God Zelf gekregen in de tijd dat hij als
‘Lucifer’nog een lichtdrager was om God te helpen bij het
totstandkomen en uitvoeren van Zijn eeuwige raadsbesluit.
Als Lucifer had deze dienaar des lichts de expliciete
opdracht en taak de eerste mensen te begeleiden op hun
weg naar Gods troon. Toen Lucifer dit allemaal duidelijk
begon te worden (hij wist dit aanvankelijk niet, want hij
begeerde net als alle engelen een blik te slaan in het
raadsbesluit van de Allerhoogste – 1Petr.1:12) dat dit
nieuwe schepsel dat de Vader ‘mens’ noemde nota bene bij
God op de grote Troon moest plaatsnemen, werd deze engel
jaloers en verzette hij zich tegen dit eeuwige voornemen
van de Almachtige God. Dit is de strik des duivels dat hij
jaloers werd op de positie van de mens, de zoon van God.
Door zich tegen dit eeuwige plan en voornemen van God te
verzetten stelde Lucifer zich buiten de genade en waarheid
van de Allerheiligste, waardoor er ongerechtigheid in hem
werd gevonden. De Vader verstootte hem hierom en de
satan werd met eeuwige banden aan duisternis gebonden.
Voor hem is er in eeuwigheid geen redding of herstel meer
mogelijk. Het was bij hem niet zo als bij de ‘onontwikkelde’
mens die nog kennis en onderscheid van goed
of slecht moest opdoen, dus nog geestelijk in de groei was.
Lucifer was bij zijn formatie reeds geheel compleet
geformeerd en had duidelijke instructies en bevelen van
God gekregen om het licht door te geven te dienste van
Adam en de andere mensen die zouden volgen. (Ez.28)
Doch de toegang tot de tuin éénmaal door God gegeven aan
de in zonde gevallen Lucifer, die voortaan wordt aangeduid
met de naam satan (‘lasteraar’, ‘scheidingmaker’,
‘tegenstander’), die had hij nog steeds. God komt namelijk
nooit terug op iets dat Hij heeft gesproken, Hij is immers de
onveranderlijke en eeuwige God en volgt altijd Zijn
voornemen. De nieuwe vijand van God ziet vanwege zijn
verzet dus niet meer toe op een goede ontwikkeling van de
beelddrager van zijn Meester, maar doet zijn invloed juist
gelden om die ten val te brengen zoals ook hijzelf gevallen
is. Dit ‘vallen’ wil zeggen de hoogste en heilige positie
binnen Gods bestemming loslaten om tegen de wil van God
in en dus een onreine positie te verkiezen en vast te grijpen.
De slechte invloed van deze overste der engelen werd
voordien reeds duidelijk, als hij zich laat gelden in de
planten- en dierenwereld die in de tuin en daarbuiten
aanwezig zijn. Als de mens vervolgens verschijnt, smeedt
hij zijn arglistige plan om Adam tot ongehoorzaamheid te
verleiden. Van list spreekt men als de eigenlijke
bedoelingen niet getoond worden of onduidelijk zijn. Om
Adam te treffen wendt de slang zich dan ook niet direct tot
de mens, maar volgens een omtrekkende beweging, via zijn
naaste vertrouweling Eva.
Zoals de duivel éénmaal het goede gekend had en daarna in
de zonde viel, zo bracht hij dit waar hij kon ook over op de
schepping. Door zijn invloed brengt de ‘kennisboom’ die
naast de Levensboom stond niet meer zijn oorspronkelijke
vruchten voort maar draagt nu vruchten die, wanneer men
ze aanraakt of tot zich neemt de dood tot gevolg hebben.
Bij de dieren wordt de slang door de satan benaderd. Van de
slang staat dat ze de ‘listigste’ van alle dieren was,
hoogstwaarschijnlijk door de omgang met de vijand. Dit
geeft te denken want ook in de huidige wereld waar de
duivel zijn werkterrein heeft, zijn het juist de meest
intelligente en geestelijk ‘vooroplopende’ mensen die hij
probeert in zijn gelederen te krijgen. Wat bvb. te denken
van een geleerde die een uiterst dodelijk en besmettelijke
stof kan ontwikkelen, waar toch alleen maar mensen en
dieren mee gedood kunnen worden? De intelligentie en
kennis van zo’n geleerde staat dan in dienst van de vijand
van God, want Die wil immers niet dat er ook maar één
mens verloren gaat. Het gevaar is echter dat wanneer een
gedemoniseerde machtsmisbruiker ergens de samenleving
aan deze dodelijke chemische stoffen bloot kan stellen, er
zeer veel mensen worden uitgeroeid. In zijn uiterlijk
vertoont de slang ook een aantal eigenschappen die
karakteristiek zijn voor de aard en het wezen van de boze.
Zo doet deze zich voor als een goede boodschapper, doch
wat hij zegt lijkt aanvankelijk op de waarheid maar is
doordrenkt van leugen. (2Kor.11:14) De tong van de slang
is gespleten, wat hij spreekt is innerlijk verdeeld en
daarmee zaait hij ook verdeeldheid.
De ogen van het reptiel zijn altijd geopend en met zijn
strenge en genadeloze blik probeert hij zijn slachtoffers van
schrik te verlammen en te intimideren. In zijn bek bevindt
zich het dodelijke gif, dat zijn zijn woorden die een
dodelijke uitwerking op zijn hulpeloze slachtoffers hebben.
Met zijn lichaam kronkelt hij zich in alle bochten en
verschuilt hij zich in zijn omgeving. De camouflage is zijn
grootste dekking! Het liefst ligt hij ‘onzichtbaar’op de loer
zodat hij ongemerkt in de nabijheid van zijn slachtoffers
verblijft om hen dan plotseling te overmeesteren. Soms
roert hij zich tijden niet, waardoor de omgeving hem niet
meer opmerkt.
‘Op stille plaatsen ligt hij in hinderlaag, op verborgen
plekken doodt hij onschuldigen, zijn ogen spieden naar
weerloze mensen.’ (Psalm 10:8)
Door gehoorzaam te zijn aan hetgeen de slang zegt komen
Adam, zijn vrouw en hun kinderen in de duisternis van de
zonde terecht. Zij kunnen zich dus niet volgens gemaakt
bestek ontwikkelen in het Koninkrijk van God maar zij zijn
‘inwoners’ geworden van een ‘ver land’, van een geestelijk
rijk dat uit duisternis bestaat. Dat is het rijk van satan dat
met duisternis het ‘innerlijk’, de geest en ziel van de eerste
mensen omringt waardoor zij het oorspronkelijke doel dat
de Schepper met hen had niet meer kunnen bereiken. De
mens verandert door de inwerking van de satan innerlijk
naar het ‘beeld’ van deze onreine geestelijke macht in wiens
dienst hij zich nu heeft geplaatst: hij die ongehoorzaamheid
jegens God bedrijft en de zonde doet is een zondaar. De
apostel Johannes gaf al aan dat de duivel zondigt vanaf den
beginne, dus toen de mens zijn positie in de Hof moest gaan
innemen. (1Joh.3:8)
De mens ontwikkelde zich zo dus niet verder als geestelijk
wezen in Gods Koninkrijk maar valt uiteindelijk geheel ten
prooi aan de zondemachten en boze geesten, waardoor hij
nog slechts ‘enkel vlees’ is. (Gen.6:3) Hij kan zich niet
meer verheffen in de sferen waarin zijn Schepper Zich
bevindt maar is enkel actief in de zichtbare wereldse
omgeving van genot en bezit en waar de satan heerst als de
overste der boze machten. Daarmee verdwijnt Gods invloed
en dus het leven uit de mens. Deze verwordt zo tot een
speelbal van demonen omdat hij slechts bezig is met
onreinheid, vleselijk genot, hoogmoed en ongerechtigheid.
Dat het voor de zondemachten niet moeilijk is om met zo’n
mens contact te krijgen en die in bezit te nemen, daarvan
lezen we in Genesis 6:1,2: ‘Toen de mensen zich op de
aarde begonnen te vermenigvuldigen en hun dochters
geboren werden, zagen de zonen Gods, dat de dochters der
mensen schoon waren, en zij namen zich daaruit vrouwen,
wie zij maar verkozen.’ Met ‘zonen Gods’ worden de boze
engelen bedoeld, die als ‘zonen’ ooit door God werden
geschapen maar hun ‘eigen plaats’ bij Hem verlieten en
wederechtelijk .n de mens wilden binnendringen om over
hen te heersen. De ‘dochters’ der mensen zijn allen die zich
voor de inspiratie en de gemeenschap der boze geesten
openstellen, dus zij die voor de zonde ontvankelijk blijken.
Omdat reeds de mens in de oudheid de innerlijke leiding
van Jahweh de goede Inspirator ontbeert, is er voortaan een
‘wet’ nodig die hen van buitenaf van richtlijnen voorziet
hoe zij rechtvaardig zullen leven. Dat is de wet voor het
volk die aan Mozes werd gegeven. Van die wet staat dan
ook ‘wie dat doet, zal daardoor leven’ (Rom.1:17). Doch
ondanks deze Mozaďsche wet kwamen de mensen op een
enkeling na niet terug bij God, zij kwamen daardoor dus
niet weer tot leven omdat deze wet massaal overtreden
werd en wordt. Jakobus schrijft ’Want wie de gehele wet
houdt, maar op één punt struikelt, is schuldig geworden aan
alle (geboden).’ (Jak.2:10) Dat het dan ook niet zo goed met
het oude bondsvolk van God gesteld is, daarvan getuigen de
oproepen van Johannes de Doper en van Jezus, die allen
opriepen tot bekering om alsnog het Koninkrijk van God
binnen te kunnen gaan. (Marc.1:4 en 15) Het Koninkrijk
van God is door Jezus ‘nabijgekomen’.
‘Van toen aan begon Jezus te prediken en te zeggen:
Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is
nabijgekomen.’ (Matt.4:17)
Jezus werd geboren, groeide op en was een volwassen man
geworden die als eerste mens het Koninkrijk van God op
aarde openbaarde, dus liet zien waar dit uit bestaat en
waartoe Hij door daarin te leven in staat was. De demonen
die tot dan toe vrij in hun slachtoffers konden huizen,
werden door Hem bij Zijn medemensen uitgeworpen. De
armen en de zieken die door de religieuze Joodse leiders
werden genegeerd, ontvingen van Jezus zonder de
tussenkomst van deze tempellieden van Jeruzalem het
Evangelie van genade en de genezing ‘om niet’. (Matt.10:8)
De toegang tot eeuwig heil bij de Vader zou spoedig door
Zijn Zoon Jezus voor ieder mens worden vrijgemaakt. Het
voorhangsel dat de toegang tot het ‘heiligste gedeelte’ van
de tempel afsloot scheurde! (Matt.27:51)
Het Koninkrijk van God werd door Jezus ontsloten en
toegankelijk gemaakt voor rechtvaardigen. Met de doop van
Jezus in de Jordaan, waar de zalving met kracht van de
Heilige Geest direct op volgt, begint het Koninkrijk van
God op aarde te functioneren. Jezus Christus trad van
Godswege als Koning en Priester op en juist vanwege de
Kracht die de Allerhoogste Hem betuigt, kan Hij ieder mens
redden die Hem persoonlijk als Koning erkent en aanneemt.
Met het getuigenis dat de Rechtvaardige en uit God geboren
Jezus van Zijn Vader ontvangt, neemt Hij tevens Zijn
Koninklijke waardigheid in ontvangst. Op weg naar
Jeruzalem vertelt de Heer Jezus hierover in een gelijkenis:
‘Hij zeide dan: Een man van hoge geboorte trok naar een
ver land om voor zich de Koninklijke waardigheid in
ontvangst te nemen en (daarna) terug te keren.’
(Luc.19:11,12)
De krachten van de nieuwe ‘eeuw’ werken in Hem en later
ook in hen die tijdens Pinksteren de Heilige Geest
ontvangen. Deze nieuwe eoon kenmerkt zich van de
voorliggende periodes, doordat de gelovigen en heiligen
van Christus met hemelse Kracht worden aangedaan.
Met die Kracht van God kunnen zij duivelen weerstaan en
wegsturen en eveneens door de Heilige Geest in Jezus’
naam genezingen verrichten, daar God Zelf met hen is. ‘IK
heb gesproken, IK doe het ook komen; IK heb het
ontworpen, IK breng het ook tot uitvoering.’ (Jes.46:11)
De onwilligen en ongelovigen die Jezus niet aannemen en
niet willen dat Hij Koning over hen zal zijn, die zullen net
als in de tijd van de overgang van het oude naar het nieuwe
verbond van het volk van God worden afgesneden. Wie de
Heilige Geest niet wil ontvangen en daarmee zijn of haar
ondergeschiktheid aan Christus niet aanvaardt, kan
vanwege zijn ongehoorzaamheid aan God geen deel
uitmaken van het ware volk van God: de Joden naar de
geest. (Rom.2:28,29) Zoals ten tijde van de oude bedeling
de onbesneden man geen deel kon hebben aan het verbond
met God, zo kan in de nieuwe bedeling een mens geen deel
hebben aan het verbond dat God sluit door de gave van de
Heilige Geest. Daartoe vergelijken we de volgende twee
teksten, één uit het oude- en één uit het nieuwe verbond:
‘En de onbesnedene, de man namelijk, die het vlees van
zijn voorhuid niet laat besnijden, die mens zal uitgeroeid
worden uit zijn volksgenoten: hij heeft mijn verbond
verbroken.’ (Gen.17:14) ‘Gij daarentegen zijt niet in het
vlees, maar in de Geest, althans, indien de Geest Gods in u
woont. Indien iemand echter de Geest van Christus niet
heeft, die behoort Hem niet toe.’ (Rom.8:9)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *