Mijn Heilige Berg

Mijn Heilige Berg
Het tot leven komen van de geestelijk mens doordat men de
woorden van Jezus Christus hoort en ze gaat doen en het
opwassen naar de geestelijke volheid of volmaaktheid, kan
allegorisch vergeleken worden met de beklimming van een
hoge berg. Diegene die deze hemelse tocht onderneemt,
bewandelt de ‘hoge weg’ van het geloof van Christus. Het
Woord van God bevindt Zich in de hemel op de
Allerhoogste positie namelijk op de Berg Gods, die een
uitdrukking is van het koninklijke gezag, de Kracht en de
majesteit van de Heilige Geest. Vanuit de onmetelijke liefde
voor Zijn mensen begon bij God het initiatief om de ‘kroon
der schepping’ te rehabiliteren, te verheffen en
respectievelijk bij Hem een plaats te geven op de troon.
De mens Adam moest van levende ziel zich verder
ontwikkelen tot ‘levendmakende geest’, maar door de
aantasting der zonde verspeelde hij zijn vooruitzichten op
deze geestelijk verheven toestand. Hij begon te sterven en
naar geest en lichaam ervoer hij wat het is om pijn en
ellende te hebben, iets wat voor hem tot dan toe onbekend
was geweest. De positie en het doel dat de Schepper met
Adam voorhad, was voor hem onmogelijk geworden om die
in zijn zondige staat te bereiken. Doordat hij zijn
koninklijke erfenis niet meer in ontvangst kon nemen en
zijn aardse lichaam het na verloop van vele honderden jaren
begaf, restte Adam slechts de geestelijke sfeer waarin hij
door de zonde was blijven steken. Geestelijk sloeg hij na
het sterven zijn ogen op in die toestand van gevangen zijn:
de Sjeool of Hades. (Gr.) Daarbij was er meer gebeurd dan
enkel de ontneming van de vooruitzichten op de koninklijke
status van deze troonpretendent. Behalve dat Adam met zijn
vrouw Eva door ongehoorzaamheid in de schaduw van het
dodenrijk terecht waren gekomen, was aan de vijanden van
God – de satan en de boze geesten – de heerschappij over de
wereld overgedragen. De duivel kon daarom na vele
eeuwen zeggen dat de positie van ‘wereldbeheerser’ hem
door de mens was overgegeven, omdat de eerste mensen
zich vrijwillig in zijn dienst hadden gesteld en daarmee zijn
slaaf waren geworden. (Luc.4:6)
En omdat Adam de duivel toegang verschafte tot de mensen
op aarde om die te beďnvloeden en tot zonde te verleiden, is
daardoor het hele menselijke geslacht tot zonde gekomen.
Ieder nieuw mens wordt immers als baby binnen het directe
werkterrein van de boze geboren en bij het opgroeien is het
onmogelijke om zijn sluwe en boosaardige inspiraties te
pareren, en vroeg of laat komt men tot zonde. Daarvandaan
dat Paulus kon schrijven in zijn brief aan de Romeinen
‘Alle mensen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid
Gods.’(Rom.3:23) Het is dus niet zoals een bekend leerstuk
in de kerk wil aangeven (art.15, NGB) dat een mens vanaf
zijn conceptie een verdorven natuur heeft, want dan zouden
wij aan de duivel gelijk zijn en er voor ons geen redding en
herstel meer mogelijk zijn. Maar doordat wij opgroeiden in
een sfeer waar bij gebrek aan bescherming tal van boze
geesten toegang tot ons hadden en ons konden aanvallen, is
het voor ons onvermijdelijk gebleken om niet te zondigen.
Wat onze oude geestelijke ‘natuur’ betrof hebben wij die
daarmee gediskwalificeerd om eeuwig te leven, dus bij God
de Vader te zijn. Alles in aanmerking genomen maakt het
dus niet uit of wij, zoals abusievelijk werd geleerd als
strafwaardig zondaar in de wereld kwamen of dat wij zo wij
nu weten in de wereld gaandeweg tot zondaars werden, wij
hebben allen hoe dan ook onze rechtvaardiging aan het
onschuldig vergoten bloed van Christus Jezus te danken! In
tegenstelling tot oude leerstellingen geven wij dus wel toe
zondaar geweest te zijn maar wij identificeren ons nu niet
meer met de zonde en het verfoeilijke wezen van de duivel,
alsof er ook voor ons geen redding of Heiland zou zijn.
Toen echter in de volheid des tijds Jezus eveneens als
mensenkind in deze vijandige omgeving ter wereld kwam,
veranderde er iets. Dit was het moment waarop de nieuwe
gezagsverhoudingen een aanvang namen, onder een nieuw
verbond met God. Vanaf Zijn heilige Berg, vanuit Zijn
Koninkrijk der hemelen kwam de Zoon van God om als
mens van vlees en bloed geboren te worden in het domein
en het beslag van satan. In al de koninkrijken der wereld
hadden de boze geesten de volkeren vele generaties
achtereen weten te overweldigen en te beheersen om hen in
ongerechtigheid en zonde te doen leven. In dat duivelse
machtscentrum werd Jezus de Zoon van God ontvangen.
Daar zouden zij elkaar nu ontmoeten en tegenover elkaar
komen te staan, de duivel die als koning der wereld heerste
vanaf Adam, tegenover Jezus de Koning vanuit de hemel.
Jezus kwam als Vorst der hemel ‘van boven’ om in de
duisternis der wereldbeheersing het Woord van God te
spreken tot hen die van ‘beneden waren’ en in de
noodzakelijkheid van de dood gezeten waren. De arena
waar Het Licht de duisternis opzocht, was hetzelfde
gevechtsterrein alwaar de duivel, de oude slang zijn talloze
menselijke slachtoffers had gemaakt; de wereld, gelegen
aan de voet van de berg der goden, vanwaar Lucifer door de
Allerhoogste was verbannen en weggedaan nadat hij en
andere geesten hun eigen woonstede hadden verlaten.
(Judas 1:6)
Op de Berg Gods waren en zijn uitsluitend de heilige
wezens die van JaHWeH hun eigen taak en functie hebben
ontvangen. In de eerste plaats is daar God de Vader, die van
deze hoogste orde de verpersoonlijking is. Hijzelf geeft
immers vorm en omvang aan deze Berg in de wereld der
geesten. Jahweh was de Eerste en van eeuwigheid aanwezig
op dit heilige niveau, en deze heilige Berg is tevens een
afspiegeling en uitdrukking van Zijn grootheid en
verhevenheid.
Jahweh beschikt als Opperwezen reeds v..r alle andere
wezens over deze heerlijkheid en luister. Hij is immers om
Zijn voornemen en plannen te maken bij niemand te rade
gegaan, zoals Jesaja zegt ‘wie is Hem tot raadsman
geweest?’. (zie ook Rom. 11:33t/m36) En alles wat
geworden is en alle dingen die geworden zijn, zijn dat door
Hem, want Hem is niets onmogelijk. God heeft als
Hoogste en grootste Geest ook het grootste geloof, de
Kracht en de wil om dit alles tot stand te kunnen brengen.
(Marc.10:27)
‘Hij doet grote, ondoorgrondelijke dingen,
wonderen zonder tal.
Hij verheft geringen tot hoge staat,
en treurenden verkrijgen krachtige hulp’
(Job.5:9en11)
Alle dingen zijn door het Woord geworden en zonder dit is
geen ding geworden, dat geworden is. (Joh.1:3) en: ‘Alle
dingen zijn Mij overgegeven door mijn Vader en niemand
weet, wie de Zoon is, dan de Vader, en wie de Vader is, dan
de Zoon, en wie de Zoon het wil openbaren.’ (Luc.10:22)
De Zoon was er ook want als Woord Gods was Hij van
eeuwigheid bij de Vader en door Hem zijn alle dingen
geschapen die geschapen zijn. De heerlijkheid van het
Woord om alles te volbrengen waartoe de Vader sprak,
bezat Hij reeds v..r de wereld werd geformeerd. (Joh.17:5)
Het Woord was, nadat God had gesproken ook God.
(Joh.1:1) Daarna schiep het Woord overeenkomstig de wil
van de Vader de engelen, zij worden als ‘vlammende
stenen’ aangeduid in Ezechiel 28. Het vlammen ziet op het
weerspiegelen en afstralen van het licht en de glans van
God, waarmee ook in hen het wezen van de Schepper tot
uitdrukking kwam. Dat zij als ‘stenen’ worden omschreven
duidt erop, dat zij wat hun ontwikkeling en statuur betreft
niet nog hoger in Gods gemeenschap kunnen komen.
Zij zijn als stenen ‘af’ of anders gezegd in gereedheid
geschapen. Vergezeld van deze gigantische schare helpers,
lichtdragers en ‘scheppingsassistenten’, sprak de
Almachtige: ‘Laat Ons mensen maken..’ (Gen.1:26) Als
engel van God was ook Lucifer ooit op de Berg van de
Allerhoogste, om daar met de ‘duizend tienduizendtallen’
van engelen als ‘vlammende steen’ de heerlijkheid en
majesteit van de Schepper te aanschouwen en Zijn wil te
vernemen. (‘Lucifer’ betekent lichtdrager)
De engelen Gods worden soms ook aangeduid met de term
‘zoon’. Zo lezen we in het boek Job dat de ‘zonen Gods’
zich voor de Heer stelden en onder hen bevond zich de
onrechtvaardige satan. (Job1:6) In de scheppingsvolgorde
werden de engelen als ‘zonen’ Gods dus éérst geschapen en
pas daarna de mens en zijn vrouw. In het geslachtsregister
van Jezus wordt Adam vanzelfsprekend als zoon van God
genoemd. Als Vader heeft God de ganse mensheid gewild
en voortgebracht. (Luc. 3:38) Adam echter was nadat hij
geschapen was niet geestelijk volgroeid of ‘rijp’, maar
moest in het Paradijs de tocht ‘naar omhoog’, naar het voor
hem bedoelde geestelijke niveau ondernemen. De oudste
‘zonen’ waren dus de engelen, waarvan Lucifer er één was
en als eerste uit God voortgekomen. De jongste dus later
gemaakte zoon van God was Adam en hij werd
aanvankelijk geschapen naar Gods Eigen beeld en als Zijn
gelijkenis, om te worden zoals Hij. (Gen.1:26)
In belangrijkheid en luister was deze jongste zoon van God
om die reden dus de meerdere van de oudste en reeds
aanwezige zoon Gods. De aanduiding ‘zoon’ als zijnde
degene aan wie men kan zien hoe en wie de Vader is, was in
dit opzicht dan ook meer van toepassing op Adam dan op
Lucifer. V..r zijn rebellie was Lucifer één der machtige
engelen van God en straalde hij als zodanig de heerlijkheid
van zijn Schepper af, en wel op een bijzonder veelkleurige
wijze. (Ez.28:13) Maar zoals zijn naam en wezen reeds
aangaven, betekende de gehele existentie van Lucifer niet
meer te zijn dan dienaar om Het Licht te dragen.
Deze opdracht vervulde hij als beschuttende cherub
aanvankelijk zeer effectief, gelet op het takenpakket dat
hem van Hogerhand was toevertrouwd en de manier
waarop hij zich tussen zijn soortgenoten bewoog. (vers 14
en 15)
De jongere zoon van God, Adam die in één der latere
scheppings-eoonen door Hem werd geformeerd, werd door
de Almachtige verbonden aan een hogere bestemming en de
daarbij horende hogere status. God en Zijn Partner zijn
immers verheven boven hun dienaren. Adam moest binnen
de mega-scheppingsdaden van Jahweh door ontwikkeling
een persoon worden die het meerdere en hogere verlangen
van de Heer God kon vervullen. De engelen hadden tot taak
om vanuit de hemel de mens tijdens zijn geestelijke
opwassen te begeleiden en te helpen, zodat Adam de plaats
naast God in volkomenheid kon innemen. Het
communicatieve vermogen waarmee Adam contact met zijn
Schepper kon maken, zoals het spreken en bidden in de taal
van God (glossolalie), maar ook bv. het schrijfvermogen
der mens, kan mede door tussenkomst van de trouwe
engelen zijn overgebracht. Het is duidelijk dat engelen over
deze kwaliteiten beschikken, zo kon aan Mozes op de berg
Sinai de wet en de geboden worden geven toen die in de
stenen tafelen geschreven waren. (Ex.34, Hebr.2:2) Adam
moest zich in het plan van de Schepper ontwikkelen tot
geestelijk verheven wezen, tot mens-Gods die door de
kracht en werking van God kon worden ‘opgetild’ en
verheven tot op Zijn Eigen niveau, dus niet alleen in de
hemelen ‘op de Berg Sion’ maar ook bij Hem in Zijn huis.
(2Tim.3:17, Joh.8:35)
Toen dit alles voor Lucifer duidelijk begon te worden en
hijzelf als medewerker Gods aan deze hogere ontwikkeling
en opgang van Adam (de jongste zoon van God) diende
mee te helpen en zorg te dragen, werd er in Lucifer
gaandeweg ongerechtigheid gevonden. Het is voor Lucifer
niet te accepteren dat deze zwakke mens de plaats naast
God Zelf mag innemen, die kwam hem volgens hemzelf als
eerst-geschapene en geestelijk sterkere toch veel eerder toe?
De zo in schoonheid geschapen engel had tot nog toe
tijdens de vele ‘scheppings-eeuwen’ immers zelf als één der
naaste medewerkers de Allerhoogste ten dienste gestaan.
De engel die een eigen plaats had gekregen, betrachtte
zichzelf van Gods niveau en wilde als zodanig ook als Gods
‘naaste’ erkent en aanbeden worden. Dat er nu een
nieuweling kwam die hem in dit opzicht overtrof, daar
ergerde hij zich aan. De plaats naast God die aan de mens is
voorbehouden, die wilde satan voor zichzelf en dat bracht
hem ten val: ‘En gij overlegdet nog wel: Ik zal ten hemel
opstijgen, boven de sterren Gods mijn troon oprichten en
zetelen op de berg der samenkomst ver in het noorden; ik
wil opstijgen boven de hoogten der wolken, mij aan de
Allerhoogste gelijkstellen.’ (Jes.14:13/14)
Doordat hij daarmee de plaats die de Almachtige Schepper
hem had toegekend verliet en in zijn val tal van engelen met
zich mee wist te slepen, schreef de apostel Judas later over
deze groep dat zij ‘hun eigen woning’ hadden verlaten, en
om die reden tot de oordeelsdag onder donkerheid bewaard
worden gehouden. (Judas 1:6) God had gesproken ‘laat Ons
mensen maken’ en daarbij werd ook Lucifer ingeschakeld
om deze gedachte gestalte te geven. De eervolle rol die
Lucifer als zelfdenkend wezen bij deze grootse en
gezegende taak werd toegekend, werd door hem niet
volgens de weg van God vervuld maar hij keurde Gods wil
af en bediende zich in ongehoorzaamheid tevens van
geweldenarij. (Ez.28:16) Zoals Kaďn door de duivel
geďnspireerd werd en gehoorzaamde om zijn broer Abel met
geweld te vermoorden, op diezelfde manier werd ook de
satan boos toen hij door begon te krijgen dat de
eindbestemming van Adam ver boven die hem als
‘majordomus’ uitging. Dat was de omslag bij Lucifer,
waardoor hij het Licht losliet en Jahweh bij elke
mogelijkheid ging tegenwerken.
Om de Almachtige bij Zijn verheven werkzaamheden te
storen, had satan in de door Jahweh geschapen hemel
duisternis veroorzaakt. Doch ondanks de duisternis van
deze eerste hemel, gaat Jahweh verder Zijn voornemen ten
uitvoer te brengen. Ook als de Here God volgens plan de
aarde heeft geschapen, is daar Zijn tegenstander om vanuit
zijn machtspositie het geschapene te bederven. De
Hebreeuwse grondtekst staat om die reden de vertaling toe:
‘de aarde nu was woest en ledig geworden’. (Gen.1:2) Dit
duidt op inbreng van buitenaf, die des duivels dus, want er
lag daarna duisternis op de vloed. Ook veel later, als de
planten- en dierenwereld tot stand zijn gekomen, is het
wederom satan die een aantal planten aantast zodat zij
‘dorens en distels’ produceren, of soms zelfs zeer giftig
zijn. Ook bij een deel der dieren kan hij zich laten gelden,
zodat zij worden gedeformeerd tot verscheurende beesten
en daarbij soms uitgroeien tot reusachtige monsterlijke
gedrochten, denk aan de prehistorische reptielen en
vleeseters. Tenslotte wordt dan door Jahweh de mens
geschapen, en ook jegens hen laat satan zijn vijandschap
gelden. Ook dit deel der schepping probeert hij aan te tasten
en te bederven, om steeds maar weer trachten te voorkomen
dat de Almachtige Zijn doel bereikt. En ook dit kostbaarste
deel der schepping weet satan met list onklaar te maken!
Adam zou in zijn ontwikkeling tot “Christus” zijn
geworden, indien hij niet in zonde was gevallen. De
“Christus” is immers de ultieme en hoogste gedachte van
God. Wanneer in de volheid des tijds Adam de geestelijke
status onder Gods zalving en leiding zou hebben bereikt,
dan zou hij door God worden verheerlijkt en daarmee
gekomen zijn op het niveau van God Zelf, bij Hem op Zijn
Troon. (Opb.3:21)
De gedachte dat een mens aan God gelijk wil zijn is dus
niet fout, integendeel al wordt in veel van de traditionele
kerken het tegenovergestelde geleerd. Doch dit ‘aan God
gelijk zijn’ of als ‘Hem worden’, is juist aan de gehoorzame
mens voorbehouden, maar dan wel en uitsluitend langs de
weg van Christus Jezus. (Joh.14:6) Ook de Heer Jezus
maakt onomwonden duidelijk dat een ieder die Hem volgt
volmaakt zal worden en zegt ronduit ‘Gij dan zult volmaakt
zijn, gelijk uw hemelse Vader volmaakt is.’ (Matt.5:48) Het
streven van de oprechte en gehoorzame mens om volmaakt
(als God) te zijn is dus niet ijdel, zij is een voorzegging van
de Meester! Ook de apostelen zijn van deze kennis der
waarheid op de hoogte en schrijven daar in hun brieven op
diverse plaatsen over, zoals de volgende teksten aangeven:
‘Hem verkondigen wij, wanneer wij ieder mens
terechtwijzen en ieder mens onderrichten in alle wijsheid,
om ieder mens in Christus volmaakt te doen zijn.’
(Kol.1:28) ‘En Hij heeft alles onder zijn voeten gesteld en
Hem als hoofd boven al wat is, gegeven aan de
gemeente, die zijn lichaam is, vervuld met Hem, die alles in
allen volmaakt.’ (Ef.1:22,23)
Onze volmaaktheid echter, waartoe de Vader ons heeft
voortbracht, nemen wij eerst ten volle in als wij geheel
‘samen met God op de hoogte’ zijn, hoog op Zijn Berg, dus
vol van de Heilige Geest. Dikwijls hoorde ik persoonlijk de
uitspraak van mensen die reeds vele jaren hun kerk
bezoeken, dat de mens zondaar is en dat blijft tot de dood
toe, hij of zij belijden dus zelf dat zij tot het sterven slaaf
van de demonen zullen blijven. Dit komt overeen met de
wens van de duivel, die alle mensen wel wil doen geloven
dat zij noodgedwongen in zijn dienst moeten blijven, alsof
de vergeving van de zondeschuld door het bloed van Jezus
Christus krachteloos zou zijn en er daardoor ook geen gave
van de Heilige Geest is. In het denken van de traditionele
kerkmens is het de duivel massaal gelukt om behalve het
eten van de verboden vrucht, ook de geestelijke
ontwikkeling van Adam en Eva tot Gods niveau zondig te
stellen.
Als de slang in het Paradijs aan het woord is zegt hij dat
God niet wil dat de mens als Hem zal zijn, God Zelf heeft
deze mededeling richting de mens nimmer gedaan.
Bovendien schetst de slang met de woorden ‘kennende
goed en kwaad’ het karakter van de Schepper af zoals dat in
werkelijkheid van de duivel is, die kende immers het licht
maar verliet die en werd vervolgens duisternis. (Gen.3:5b)
God Zelf daarentegen heeft wel kennis aangaande de
werken van de duivel en zijn trawanten maar dan van
buitenaf, .n Hem kan nimmer ongerechtigheid of duisternis
gevonden worden en dat kan Hij ook niet voortbrengen
omdat Hij waarachtig is en Zijn karakter onveranderlijk.
(Jak.1:17) Maar de slang wist dat wanneer Eva hem zou
gehoorzamen, zij evenals de vorst der duisternis in
ongerechtigheid en zonde zou geraken waardoor zij en haar
man als eerste mensen niet als God maar juist als satan
zouden worden en vanuit het licht van de Vader in de
duisternis terechtkomen, dus kennende ‘goed en kwaad’
maar dan van ‘binnenuit’. (Gen.3:5)
Adam was in het Paradijs dus de mens-Gods, de aanstaande
Partner van God in wording. Hij had het begin moeten zijn
van een geestelijk volk dat door een wandel in het
Koninkrijk der hemelen ‘vol van de Heer’ zou worden, die
van de Boom des Levens kon eten en daardoor de Geest
van Christus ontvangen. De Vader had dit zo van
eeuwigheid gepland, en daartoe plantte Hij ook in het
midden van de Hof de Boom van eeuwig Leven. Vanuit het
stof der aarde geformeerd, werd de nog onontwikkelde
mens daarna in de Hof van Eden geplaatst en zou
vervolgens op moeten groeien tot de volle geestelijke
wasdom. Het stappenplan van Jahweh voorzag in alles wat
nodig was, tot en met de Levensboom. Alles onder Zijn
toeziend oog en met de hulp van de heilige engelen. Als
Eeuwige Schepper zou God Zelf Zich op deze wijze van
een passende Vrouw voorzien. De profeet Jesaja schreef in
verband met deze verhoging door God van hen die (zich
met de Heilige Geest laten dopen en daardoor) deel kregen
aan Christus; ‘Want uw Man is uw Maker’. (Jes.54:5)
Nu kunnen wij ons ook heel goed een begrip vormen van de
onmetelijke liefde die God voor ons heeft. Hij ziet namelijk
van eeuwigheid reeds de heerlijke geestelijke Partner in
ons, vol van schoonheid en zuiverheid. Ieder willekeurig
mens op aarde is zo’n potentiële wederhelft voor God,
indien hij of zij zich door Christus laat afwassen en Hem
volgt om tot dit allerhoogste doel te geraken. Wie de
mogelijkheden van een mens vanuit dit perspectief beziet
en zijn innerlijke waarde kent, zal net als de Meester vanuit
de liefde Gods tot erkentenis komen dat deze naasten het
waard zijn om je leven er voor in te zetten. (Joh.15:13 en
3:16) Het kost dan geen moeite de naaste net zo lief als
jezelf te hebben, want de naaste hoort door Christus ook bij
God en is deel van Hem.
Een berg duidt altijd op hetgeen hoger is en boven het
andere uitgaat, hier in deze parabel wordt er de macht en de
Kracht van God mee bedoeld, die ten opzichte van alle
andere geesten in de hemel de grootste en omvangrijkste is.
Zijn geestelijke autoriteit en gezag zijn niet alleen verheven
boven het natuurlijke en het tastbare, maar ook boven het
bestaan van alle geestelijke wezens die zich in de hemelse
gewesten bevinden. Ooit besteeg dus Mozes in de woestijn
de berg Sinai om de geboden van God te ontvangen, en na
de luister van Jahweh van heel nabij meegemaakt te hebben
bleef de heerlijkheid Gods nog lange tijd op het gelaat van
de oude profeet zichtbaar. (Ex.34) Eenmaal beklom ook
onze Heer Jezus met Zijn volgelingen Petrus, Jacobus en
Johannes een hoge berg, Tabor. Bovenop werd Hij
verheerlijkt en daar waren behalve zijn discipelen nog
enkele personen bij Hem, onder wie Mozes. Er is een
onderscheid tussen Mozes, van wie de heerlijkheid des
Heren afstraalde nadat hij de heerlijkheid Gods nabij was
geweest en Jezus Christus, de eerste mens in wie de Geest
van God een welbehaaglijke woning heeft. Net als Elia is
ook de oude knecht Mozes in het licht van God opgenomen,
zij behoorden tot de enkele leidslieden van het oude
verbond die voor hun taak persoonlijk door de Heer waren
geroepen. In het huidige nieuwe verbond daarentegen is het
niet meer de enkeling die door God wordt geroepen, maar
in Christus roept Hij .lle mensen op zich te bekeren en zich
te laten dopen om zo de Heilige Geest in ontvangst te
kunnen nemen!
De profeet Micha omschreef reeds de definitieve woning
van God de Vader, dat in de laatste dagen dus in onze tijd,
nu het voornemen van God aangaande Zijn Geest
uiteindelijk concreet is geworden, dat dan de Heilige Berg
waarop wij rusten in ons zal vaststaan als de ‘hoogste der
bergen’. De profeet vermeldt er verder nog bij dat volkeren
derwaarts heen zullen stromen. Vele onwetende mensen
zullen via ons vernemen dat het in de huidige tijd mogelijk
is om de Heilige Geest te ontvangen en Zijn genade te
ervaren.
‘En het zal geschieden in het laatste der dagen: dan zal de
berg van het huis des HEREN vaststaan als de hoogste der
bergen, en hij zal verheven zijn boven de heuvelen. En
volkeren zullen derwaarts heenstromen, en vele natiën
zullen optrekken en zeggen: Komt, laten wij opgaan naar
de berg des HEREN, naar het huis van de God Jakobs,
opdat Hij ons lere aangaande zijn wegen en opdat wij zijn
paden bewandelen. Want uit Sion zal de wet uitgaan en des
HEREN woord uit Jeruzalem.’ (Micha 4:1,2)
De berg Tabor die door Jezus werd beklommen, is 588
meter hoog en is gelegen in Laag-Galilea. Vanwege de
goddelijke verandering van de gestalte van Jezus voor de
ogen van Zijn volgelingen in een lichtstralend lichaam,
wordt om deze reden de berg Tabor nog vandaag de dag de
berg van de gedaanteverandering of theofanie genoemd.
(Matt.17:2) Het is voor de mensen van het nieuwe verbond
noodzakelijk om via de Berg Gods dat is de Heilige Geest,
ten hemel op te stijgen. Het kan immers niet de bedoeling
zijn om massaal onze koffers te pakken en op reis te gaan
richting het midden oosten, om te zien of op de top van de
daar genoemde aardse berg God nog steeds aanwezig is.
Wel heeft de katholieke kerk voor alle zekerheid op deze
plaats, waar ooit de Heer Jezus werd verheerlijkt, een
kerkje laten bouwen. Denkt men nu echt door met ‘speciale
gevoelens’ op een plaats als deze aanwezig te zijn, hoewel
men niet in de doop met de Heilige Geest van volwassen
gelooft ‘hogerop’ te kunnen komen? Weet men dan niet dat
er geen heilige of geweide plaatsen meer zijn? (Joh.4:21)
Nee niet Sinai noch Tabor maar de Berg van God is Zijn
heilige geesteskracht waarvan Hij wil dat wij als Zijn volk
daar deel aan zullen hebben, door ons naar Zijn leiding en
wil te voegen en de Geest van Christus ontvangen. Deze
berg wordt dan niet met aardse voeten betreden en door
spierkracht beklommen, maar door geloof en geduld komt
Hij in onze innerlijke mens en manifesteert Hij Zich door
ons heen in ons dagelijkse leven. Dan woont de Berg in ons
en Zijn kracht en Zijn hoogte zijn de onze geworden.
(2Tess.1:10)
De Leidsman ten leven de Heer Jezus kwam vanuit de
hemelse geestelijke werkelijkheid, vanuit het
machtscentrum van de Vader, in de natuurlijke wereld. De
wereld dus, die alle mensen door de vleselijke zintuigen
kennen en die sinds vele eeuwen wordt beheerst door de
verstoten engel satan. Het is de bedoeling van de Vader om
de satan ook van dit lagere niveau te verdrijven, en daartoe
brengt Hij Zijn eigen Zoon als kwetsbaar mensenkind
tussen de andere mensen. De engel Lucifer die de liefde tot
de Almachtige God heeft losgelaten, wordt dus niet alleen
van de heilige Berg Gods verdreven, maar moet in deze
nieuwe fase eveneens zijn heerschappij over de wereld
afstaan, nu de Heer Jezus Zijn opdracht heeft volbracht.
Jezus is God, die Zijn verheven plaats bij Zijn Vader verlaat
en door natuurlijke geboorte het rijk van de duisternis
binnenkomt, om als Hij volgroeid is ook daar vervolgens
Zijn gezag te laten gelden en de boze geesten te verdrijven.
(Joh.16:28) ‘Ik ken Hem, want Ik kom van Hem en Hij
heeft Mij gezonden.’ (Joh.7:29) en ‘Ook al getuig Ik van
Mijzelf, toch is mijn getuigenis waar, want Ik weet,
vanwaar Ik gekomen ben en waar Ik heenga..’, geven aan
waar Jezus vandaan komt en dat Zijn majesteit die is van de
waarachtige hemelse Koning. (Joh.8:14)
Vervolgens nog de teksten ‘Vader, hetgeen Gij Mij gegeven
hebt – Ik wil, dat, waar Ik ben, ook zij bij Mij zijn, om mijn
heerlijkheid te aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt,
want Gij hebt Mij liefgehad v..r de grondlegging der
wereld.’(Joh.17:24), en ‘..als Ik van de aarde verhoogd ben,
zal Ik allen tot Mij trekken…’(Joh.12:32), om aan te tonen
dat de door de Heilige Geest degenen die van Christus zijn
eveneens deel zullen krijgen aan Gods heerlijkheid en
majesteit. Het is absoluut zeker dat dit zal gebeuren, omdat
Jezus Zelf Zich daarvoor inzet. Hij trekt ons door Zijn
Geest steeds verder opwaarts op Zijn hemelse Berg, en wij
danken en loven Hem daarvoor.
Wij willen laten zien hoe het God lukt de gehoorzame mens
door wedergeboorte en geestelijke groei te verhogen tot
‘boven op de Berg’ dus bij Hem Zelf, ondanks de zondeval
van de oude en afgeschreven mensheid die hem ‘omlaag’ in
grote geestelijke en lichamelijke nood bracht. De Vader die
Zijn gezag en macht heeft overgedragen aan de Zoon, wil
de zondaar uit zijn uitzichtloze en schuldige bestaan
vandaan halen en hem grote heerlijkheid en genade
schenken. Zelfs genade op genade en om niet, dus als
cadeau zoals dat in het boek Openbaring van Jezus Christus
staat. (Opb.22:17) Eerst is er immers sprake van een
onderpand doordat God ons van Zijn Geest geeft, maar ten
slotte zal er zoals dat ook bij Jezus het geval is, sprake zijn
van een totale overdracht van Geestelijke rijkdom die de
goede Vader Zijn kind geeft. (2Kor.5:5)
De grote verdienste van Jezus is dat Hij door Zijn
levensoffer op Golgota de zonde-barričre der mensen heeft
doorbroken en het mogelijk heeft gemaakt dat ieder
goedwillend mens, door Hem als persoonlijke Verlosser aan
te nemen, rechtvaardig wordt. Een nog grotere verdienste
echter is, dat door Jezus alle gelovigen (dus rechtvaardigen)
in Hem deel kunnen krijgen aan Christus, dus het geestelijk
wezen bij wie God Zelf aanwezig is en voor zorgt. Christus
is het cumulatief van alle mensen Gods waarin de Heilige
Geest een welbehagen heeft, die tezamen het Lichaam
vormen waarvan Jezus het Hoofd is. Waar Jezus is, is Zijn
lichaam ook. Het omgekeerde is uiteraard ook waar: waar
het lichaam van Christus is d..r is Jezus in hun midden.
(Matt.18:20)
U krijgt deel aan Christus wanneer u op grond van de
toegezegde beloften van de Meester Zelf, de Heilige Geest
in geloof ontvangt en u door Hem laat leiden en Gods wil
doet. (Luc.11:13) Deze genade van God waarmee Hij naar
ons omziet is daarom zo kostbaar, omdat de Geest van
Christus bij ons en in ons komt, om ons innerlijk te
verkwikken met onvergankelijk leven.
De Heilige Geest die Jezus als Trooster na Zijn Hemelvaart
tot ons zond, blijft altoos bij ons; hierdoor is de Almachtige
wonderbare God in alle omstandigheden met ons. Jezus zei
daarom: ‘En zie, Ik ben met u al de dagen tot aan de
voleinding der wereld.’ (Matt.28:20) Dus in alle
omstandigheden, ook die van problemen of benauwenis is
het God die Zijn kracht kan laten gelden, omdat Hijzelf
aanwezig is. Wie een lid van Christus ontmoet, ontmoet
God. Wie Christus bedrukt of aanvalt, prest God. Nu wij tot
God zijn genaderd, naderde Hij immers ook tot ons!
(Jak.4:8) Dit gevoel van Gods nabijheid kende ook koning
David, waardoor hij kon uitroepen: ‘Met U immers loop ik
op een legerbende in en met mijn God spring ik over een
muur.’ (Ps.18:30)
De bedreigende omstandigheden die zich in het leven van
ieder mens voor kunnen doen, worden door deze hemelse
visie voor de volgeling niet meer uitzichtloos en kunnen
hem niet meer deprimeren, dus zijn levensvreugde
definitief ontnemen. Paulus spreekt over zijn kostelijk leven
geleidt door Jezus Christus, terwijl hij zelfs het volgende
moest meemaken:
‘Van de Joden heb ik vijfmaal de veertig-min-één-slagen
ontvangen, driemaal ben ik met de roede gegeseld, eens ben
ik gestenigd, driemaal heb ik schipbreuk geleden, een
etmaal heb ik doorgebracht in volle zee; telkens op reis, in
gevaar door rivieren, in gevaar door rovers, in gevaar door
volksgenoten, in gevaar door heidenen, in gevaar in de stad,
in gevaar in de woestijn, in gevaar op zee, in gevaar onder
valse broeders; in moeite en inspanning, tal van nachten
zonder slaap, in honger en dorst, tal van dagen zonder eten,
in koude en naaktheid; (en dan), afgezien van de dingen,
die er verder nog zijn, mijn dagelijkse beslommering, de
zorg voor al de gemeenten.’ (2Kor.11:24t/m28)
Wat bewerkt nu de Geest van Jezus, door wie ook Paulus in
het Lichaam van Christus was ingevoegd? In hoofdstuk 12
van dezelfde Korinthebrief geeft hij aan hoe de Heilige
Geest in deze zware situaties voor hem op de bres staat: ‘En
Hij heeft tot mij gezegd: Mijn genade is u genoeg, want de
kracht openbaart zich eerst ten volle in zwakheid. Zeer
gaarne zal ik dus in zwakheden nog meer roemen, opdat de
kracht van Christus over mij kome. Daarom heb ik een
welbehagen in zwakheden, smaadheden, noden,
vervolgingen, benauwenissen ter wille van Christus, want
als ik zwak ben, dan ben ik machtig.’ (2Kor.12:9en10)
Doordat de (jong)volwassen mens zich in de Heilige Geest
laat dopen, waardoor het nieuwe opstandingleven in deze
gelovige komt en voor alle tijden aanwezig blijft, hoeft hij
nimmer meer te vrezen wanneer de omstandigheden hem
benauwen. Hij weet immers: God zorgt voor mij en Zijn
levenskracht in mij is meerder en krachtiger dan de
duisternis buiten mij, die mijn natuurlijke situatie soms
aangrijpt om mij te belagen. (1Joh.4:4) Dit vertrouwen op
Jezus dat door Hem nimmer wordt beschaamd, is er de
oorzaak van dat de gelovigen nu reeds het overwinningslied
aanheffen, terwijl zij nog in de verdrukking zijn.
Met andere woorden, Christus maakt geloofshelden van
hen. Met deze zekerheid wachten zij niet als timide en
verslagen soldaten af maar stormen zij de vijanden
tegemoet, ook al is die groot en dreigend, ze ‘lopen immers
op een legerbende in’.
De Heilige Geest voert de volgeling van de Heer Jezus op
deze wijze steeds verder op Zijn heilige Berg naar boven,
Hij leidt hen zodoende in de ‘volle waarheid’ want Hij wijst
hen een weg die ‘nog veel verder omhoog voert’ in het
hemelse Koninkrijk. (1Kor.12:31) Door de permanente
nabijheid van God vanwege de inwoning van de Geest van
Christus in u als geheiligd mens, hebben de zonde- en
ziektemachten uit Efeze 6:12 geen vrije toegang meer tot
uw ziel. Ze vallen ons lichaam wel aan maar kunnen ons
niet bezetten, dus constant onder pressie houden, omdat de
Heilige Geest tussen beide komt. Het komt in deze tijd
daarbij z. ver, dat het leger geloofshelden van Jezus steeds
verder de heilige Berg des Heren beklimt en zij ook anderen
langs deze geestelijke weg kunnen helpen. De
geheimenissen aangaande wedergeboorte en geestelijke
verlossing, worden in navolging van Jezus’ opdracht door
deze groep bekendgemaakt en de gave van de Heilige Geest
geopenbaard. De onreine geesten worden net als in de tijd
van Jezus’ omwandeling verdreven en men valt de vijanden
aan in plaats van dat men slachtoffer wordt, daar is
eindelijk het volk dat tegen de eeuwenoude kaalvreters zegt
‘geef terug’. (Jes.42:22 )
De grote en heilige Berg van God is hoger dan alle andere
bergen in de onzienlijke hemelse gewesten. De verheven
macht, heerlijkheid en kracht die de Heilige Geest heeft is
door geloof en de doop met Christus in Zijn volgelingen
aanwezig. Vanwege Zijn reinheid, heiligheid, licht en leven
is Hij tevens de Enige in Zijn soort. Alleen de Vader en
Christus zijn heilig, en zij die van Hem zijn en bij Hem
horen, want ‘Is de wortel heilig, dan ook de takken.’
(Rom.11:16) Andere heuvelen en bergen in de hemel (dus
geestelijke machten) die vanwege hun onreinheid en
duisternis niet behoren tot het Koninkrijk van de Vader,
worden door Zijn Zoon verdreven. Nu begrijpen wij ook
wat de Heer Jezus bedoelde toen Hij sprak ‘Voorwaar, Ik
zeg u, wie tot deze berg zou zeggen, hef u op en werp u in
de zee, en in zijn hart niet zou twijfelen, maar geloven, dat
hetgeen hij zegt geschiedt, het zal hem geschieden.’
(Marc.11:23)
‘Deze berg’ duidt op de satan de tegenstander van God, die
nimmer meer vrucht of opbrengst voor Jahweh kan
voortbrengen en die derhalve moet worden weggedaan. De
zee is hier beeldspraak voor de buitenste duisternis, waar
geen enkele activiteit ontplooit kan worden. Deze
inactiviteit wordt door de boze geesten en door hen aan wie
zij verbonden zijn, als pijniging ervaren.
Van de wijze volgelingen van Jezus kan dan net als van
Hem worden gezegd: ‘Zij gaan de wereld rond, goeddoende
en genezende een ieder die door de boze overweldigd is,
want God is met hen. (Hand.10:38) In tegenstelling tot de
mensen die van de wereld zijn en zich slechts verlustigen in
dingen die de wereld (mammon) te bieden heeft, zoals
bezitting, rijkdom, eer van mensen, roem, begeerten,
zingenot enz., concentreert de discipel van Jezus zich enkel
op Zijn Heer en God. Dit is overeenkomstig de wil van God
want Hij is een naijverig God en dit hadden ook Adam en
Eva moeten doen, zich op hun God en Schepper richten en
zich enkel met Zijn wil en geboden bezig houden, in plaats
van met de slechte inspiraties van de boze. (Ex.34:14)
Tussen hen echter met hun grote wereldliefde en van God
niets willen weten, wordt de volgeling van Jezus net als zijn
Heer een ongewenste of paria. Voor het decadente
gezelschap der onverstandige zondaars is hij een
uitgestotene, omdat hij geen deel neemt aan hun dode
werken. (Joh.15:18)
Dit niet aan de wereld gelijkvormig zijn van Jezus met Zijn
volgelingen (Christus) en dus geen speelbal der demonen,
maakt de overste der duisternis woedend. Heilige mensen
die aanwezig zijn in het werkgebied van de duivel en
waarop hij geen enkele invloed kan laten gelden, vormen
het mikpunt van zijn aanvallen; van agressie, verguizing,
laster, smaad, discriminatie, vervolging en bespotting. Daar
zij nu hun heilige roeping kennen en ‘de hoge weg’ door het
Koninkrijk Gods vervolgen, kan de Vader hen heiligen met
Zijn woord en zonderen zij zich des te meer van de
ongerechtigheid en hetgeen vuil is af.
‘Wie klimt den berg des HEEREN op?
Wie zal dien Godgewijden top,
Voor ’t oog van Sions God, betreden?
De man, die, rein van hart en hand,
Zich niet aan ijdelheid verpandt,
En geen bedrog pleegt in zijn eden.
Die zal, door ’s HEEREN gunst geleid,
En zegen en gerechtigheid
Van God, den God zijns heils ontvangen.
Dit ’s Jakob, dit is ’t vroom geslacht,
Dat naar God vraagt, Zijn wet betracht
zoekt Zijn aanschijn met verlangen.’
(Psalm 24:2,3 berijmd)A

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *