Levendmakende Geest

Levendmakende Geest
Het oude zondige leven, waarin zondemachten vrijspel
hadden, zich uitende in bezitsdrang, zelf belangrijk willen
zijn, en de vele vleselijke begeerten die zo de oude
persoonlijkheid hadden bepaald; d.t is wat de mens die zich
tot God bekeert verliest. De onbruikbare en zondige mens
komt tot erkentenis van zijn (‘ik’) innerlijke armoe en
ellende, en geeft zich over aan Jezus. Ondergaande in het
water (dus de dood), pakt hij de hand van Jezus beet, die
hem in deze doodstoestand met Zijn Evangelie benaderde
en vond! Bij het opstijgen van Jezus uit het water (de dood)
waarbij Hij ons met Zich meevoert, blijft het oude zondige
leven onderworpen aan de dood en daarin achter. Het mist
immers de kracht om uit de dood op te staan, dit kan alleen
de Rechtvaardige Christus doen. Als nieuwe schepping
staan wij in Christus handen op uit de dood. Onze
Heiland Jezus kwam tot ons in de wereld, het werkterrein
van de boze, in een situatie waarin wij door de zonde
reddeloos verloren waren, om ons levend te maken met
Gods leven dat niet aan de dood onderworpen kan worden.
Indien wij ons niet voor Jezus schamen, laten wij
(jong)volwassen ons in een waterbad (of bassin)
onderdompelen, om zo dit heilsfeit uit te beelden en ervan
getuigenis te geven dat wij deel van Christus zijn
geworden. (Rom.6:4) Jezus redde ons, toen de optie om
Gods heerlijkheid te ontvangen voor ons reeds lang
verkeken was. Christus heeft onze geest opgewekt en
levend gemaakt, door ons aan Zijn Lichaam toe te voegen.
Zoals Adam over Eva sprak: ‘zij nu is vlees van mijn
vlees..’, zo spreekt Christus nu over ons, dat wij van Hem
zijn. Dat was ook de reden dat de Meester aan de ijverige
farizeeër vroeg ‘Saul, Saul, waarom vervolgt gij Mij?’
(Hand.9:4) Jezus vroeg niet ‘Saul, Saul, waarom vervolg je
die mensen’, maar Hij vroeg: ‘waarom vervolg je Mij?’
Ons hart van steen, vanwege de hardheid der demonen, is
door Jezus in een levend en zachtaardig hart veranderd
omdat Hij de boze geesten heeft uitgezet. (Ez.11:19) Onze
identiteit, ons nieuwe wezen hebben wij aan Jezus te
danken, omdat Hij ons heeft voortgebracht. Hij heeft ons
verwekt, waardoor wij in de onzienlijke wereld der geesten
tot leven kwamen; een geestelijke geboorte. Dit wordt
‘weder’ of opnieuw geboren worden genoemd. Ditmaal niet
in natuurlijke of vleselijke zin maar in geestelijke zin.
De wedergeboorte ziet niet slechts op de tegenstelling
tussen de geboorte van een baby van vlees en bloed, ten
opzichte van de geboorte van een mens in geestelijke zin.
Bij de wedergeboorte zoals de Heer Jezus bedoelt, gaat het
in eerste zin om de cruciale verandering van de ‘mens des
harten’, dus zijn geest en ziel. Het is immers voor ieder
volwassen mens zo dat al hebben zij geen deel aan Christus,
zij toch een geestelijke of onzienlijke existentie hebben, al
bevindt zich die in de duisternis. Zij bevonden zich al in de
hemelse gewesten maar dan aan de donkere zijde, waardoor
er een bedekking over hun denken lag. (2Kor.3:14). De
wedergeboorte brengt de mens vanuit zijn geestelijke
duisternis in het licht van het Koninkrijk van God. De
gevolgen daarvan zijn direct merkbaar in de compleet
veranderende gedachtegang van hem die opnieuw is
geboren. Het denken wordt volkomen vernieuwd, evenals
de vaste zekerheid door geloof in Jahweh God; in de
hemelen is dit mens onder Christus’ leiding gekomen.
Zonder de Geest van God is het eenvoudigweg voor geen
enkel mens mogelijk stand te houden tegen de pressie en
verleidingen van het leger der boze geesten, waar we
dagelijks mee geconfronteerd worden. (Hebr.12:1) Paulus
kwam tot de conclusie dat v..r hij van Christus was in hem
geen ‘goed’ woonde, dus afdoende eigen kracht om de
zondemachten te pareren. In de oude Paulus, hoe elitair en
voornaam hij ook was vanwege zijn studies aan de voeten
van Gamaliël, was hierdoor helemaal niets voorhanden of te
vinden dat hem het goddelijke leven kon geven, of ook
maar een beetje dichterbij kon brengen.
Doordat Paulus zich aan Jezus Christus gaf werd hij een
nieuwe schepping. De Heilige Geest was de Enige gebleken
Die bij machte was de apostel deelgenoot te maken van de
Kracht en de heerlijkheid en het licht van het eeuwige
leven. Toen hij dat waarachtige leven van zijn Heer Jezus
Christus eenmaal had kunnen aannemen, beschouwde hij al
het andere, ook zijn oude kennis, als ‘drek’ of vuilnis.
(Fil.3:8)
Dit betekent dat het zielenleven van de vaak goedwillende
en zijn uiterste best doende zondaar eveneens in de wereld
der geesten aanwezig is, maar daar is hij onderworpen aan
demonen en daardoor bevindt hij zich dus in het ‘lichaam
des doods’. (Rom.7:24) Ook dan vormt een mens een
geestelijke éénheid, maar dan met de boze machten die hun
duisternis in hem kunnen overbrengen. Deze duisternis
vanuit de hemelse gewesten is er de oorzaak van dat hij of
zij geestelijk blind is. (Joh.9:39-41) Naar hun inwendige
mens, de mens ‘des harten’ zijn deze lieden dood. Er is
geen weg denkbaar waarlangs een mens aan deze
doodssituatie kan ontsnappen, dan alleen door Jezus
Christus. Uit eigen kracht, of met hulp van mensen lukt het
niemand. Indien er mensen zijn die dit desondanks toch
proberen, geraken zij hoogstens door occulte of
spiritistische ideeën van anderen naar hun ziel nog verder in
de duisternis. (Matt.15:14)
Dan zijn er nog de miljoenen die in geestelijke zin geboren
zijn uit de Griekse filosofen Socrates, Plato en Aristoteles.
Deze drie zijn de grondleggers geweest voor de moderne
westerse psychologie en filosofie. Er wordt gepoogd allerlei
verklaringen voor het gedrag van het individu te vinden en
oplossingen aan te dragen om aan het ‘ik’ iets te
veranderen, maar allemaal kenmerken zij zich dat ze Jezus
Christus buitensluiten. Vandaar dat deze wegen nimmer tot
waarachtig leven leiden, want waarlijke verlossing van het
kwaad der demonen, kunnen de filosofen en psychologen
niet schenken. Paulus geeft vanwege zijn kennis aangaande
het Evangelie van Christus in één enkele zin duidelijkheid,
over hoe slecht gedrag moet worden aangepakt. Hij maakt
in de hemelse gewesten onderscheid tussen de ziel van een
mens, en de zondemachten die hem belagen; ‘Indien ik nu
datgene doe, wat ik niet wens, dan bewerk .k het niet meer,
maar de zonde, die in mij woont.’ (Rom.7:20)
Trouwens iedere wetenschap of godsdienstige geleerdheid
buiten de Heer Jezus om, mist het vermogen om iemand
dichter bij God te brengen, al hebben zij daar dikwijls de
schijn van. Holle godsdienstige plichtplegingen en de
traditionele liturgie die daarbij hoort, brengen eveneens
mensen voort, maar ook zij zien de belagers van zonde en
duisternis niet en blijven ondanks hun inspanningen in de
dood. De brute zondaar en de intellectueel delen zonder
Christus hetzelfde lot. Zo was daar de Joodse geleerde
Nikodemus, die ’s nachts tot de Heer Jezus kwam om Hem
te vragen hoe een mens, die reeds lang volwassen is en dus
vele opvattingen, ideeën en overtuigingen had verzameld,
wederom geboren kan worden.
Nikodemus moest, indien hij het Koninkrijk van God wilde
binnengaan, al zijn kennis aangaande de oude Joodse
denkwijze loslaten en dit alles ten enenmale voor onnut
houden. De ‘moeder’ die Nikodemus geestelijk had
voortgebracht was de Joodse elite, de Thora en Jeruzalem
met haar tempeldienst. Omdat deze gestudeerde man in zijn
status als ‘overste der Joden’ helemaal verweven was met
de Joodse denkwereld, moest hij daar in geestelijke zin van
worden verlost. Eenmaal uit de duisternis van deze
‘moeder’, zou ook Nikodemus door zijn wedergeboorte het
waarachtige Licht aanschouwen, Jezus Christus.
Al het oude moest hij loslaten en het denken en de leiding
van Christus daarvoor in de plaats krijgen. Al zijn eigen
belang en status moest hij opgeven, om het belang van God
te dienen en door Hem geëerd te worden, in plaats van door
mensen. De gedachte om al zijn jarenlange zekerheden te
verliezen, om als een kind zonder enige bagage Christus
daarvoor te ontvangen, bracht hem tot de vraag: ‘Hoe kan
een mens geboren worden als hij oud is?’ (Joh.3:4) Paulus
schrijft in zijn brief aan de Galaten over Jeruzalem, waar
ook Nikodemus deel van uitmaakte, dat het tegenwoordige
Jeruzalem met zijn kinderen in slavernij verkeerde. Hij
voegt daar vervolgens aan toe: ‘Maar het hemelse
Jeruzalem is vrij; en dat is onze moeder.’ (Gal.4:25,26)
Van de duisternis van het oude geestelijke ‘lichaam’
waarmee wij in de onzienlijke hemelse gewesten zijn
verbonden en dat altijd in de dood verkeert, moeten wij
door Jezus Christus worden verlost. Of het nu gaat om de
zondaar met zijn vleselijke zonden van overspel,
verslavingen en onreinheid, of om intellectuele arrogantie,
hoogmoed, zelfgerichtheid, filosofie of andere goddeloze
studies, ten allen tijde is de hemelse mens hierdoor in de
donkerheid van een ‘lichaam van de dood’. Zoals een baby
het licht niet kan waarnemen zolang hij nog in de buik van
z’n moeder is en zal omkomen indien hij niet geboren
wordt, zo komt ook een mens om, indien hij of zij niet uit
de duisternis van het oude geestelijke ‘lichaam des doods’
tevoorschijn komt.
De wedergeboorte, waarbij de oude denkpatronen met haar
zinloze idealen geheel worden losgelaten, is dus voor
iedereen noodzakelijk. Alle banden met boze geesten die
een mens in de dood voerden, worden daarbij verbroken.
Met het nieuwe heilige leven waar Christus Heer is, zijn de
oude zondige praktijken onverenigbaar, niemand kan
immers twee heren dienen.(Luc.16:13) De kracht en
invloed van de zondemachten wordt door de wedergeboorte
tenietgedaan, zij is overbodig geworden en wordt door de
nieuwe schepping losgelaten. Om dit met een beeld te
verduidelijken; de navelstreng die ‘moeder’ en ‘kind’ in de
duisternis steeds had verbonden, wordt na de
wedergeboorte doorgesneden.
Hieruit blijkt dat het bestaan zoals talloze mensen dat
hebben en zich beperkt tot enkel de materiële en zichtbare
dingen, geen eeuwigheidswaarde bevat. Het vergaat
dergelijke mensen in het gunstigste geval als de rijke man
waar Jezus in Lucas 16 over vertelde. Een mooi huis, volop
te eten en veel feesten. Maar uiteindelijk komt aan al dit
zingenot een einde en blijkt zo iemand in feite
beklagenswaardig. Zonder de liefde voor Christus,
waardoor ook de liefde voor de naaste uitblijft, hebben
demonen vrije toegang tot zo’n persoon. Na het sterven
worden deze onreine geesten dan als ‘een vlam’ van
pijniging ervaren. (vers 24)
En wat denkt u van de Joodse geleerden uit de gelijkenis
van de barmhartige Samaritaan uit Lucas 10. Dit waren
beide kopstukken van de Joodse elite, de een priester en de
ander een Leviet. Zij hadden aan hun naaste geen
boodschap, maar meenden in plaats daarvan door intense
studie van de Thora het eeuwige leven te vinden. (Joh.5:39)
Het is de Heer Jezus die leert om de liefde van God te
ontvangen, welke tot ons komt als wij ons tot Hem bekeren
en ons laten dopen en door gebed de Heilige Geest
ontvangen. Deze is het Die eeuwig leven geeft, en Zijn
liefde openbaart zich in elk mens die met Christus Jezus tot
één wezen is geworden. Hij of zij die liefde bewijst aan de
medemens kan dan zonder gestudeerd te hebben, ja zelfs al
is hij een Samaritaan (door hen uit Judea als onzuivere
Joden beschouwd), deel aan God hebben en Hem eren in
goede werken.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *