Jeruzalem

Jeruzalem
De bruid die aan Johannes wordt getoond, zijn de gelovigen
van alle tijden. Het zijn al die mensen uit het Oude
Testament, die tijdens hun leven op aarde oprecht hebben
geloofd dat JHWH God goed is en hen recht zal doen, zal
redden en verlossen. Vanaf het Nieuwe Testament zijn het
die mensen die er aan vasthielden dat zij op grond van het
bloed van Jezus, dat voor hen werd vergoten op Golgota,
met God zijn verzoend. Beide groepen geloven dus dat
JHWH redt in Jezus. Mensen met zo’n geloof kunnen wij
ook in onze huidige tijd nog dikwijls aantreffen. De
rechtvaardigen uit het oude verbond zijn vanwege hun
geloof in God, mét de gelovigen van het nieuwe verbond tot
één grote groep Godliefhebbers samengevoegd; de eerste
groep werd immers persoonlijk door de Heer Jezus vanuit
het dodenrijk bevrijd en meegevoerd naar het Paradijs. Ook
zij wachtten in ‘de hoge’ op hun volkomenheid, totdat eerst
de Zonen Gods in volkomenheid op aarde openbaar komen.
Zij konden dus niet zonder ons tot de volmaaktheid komen.
(Hebr.11:40) Onder hen bevond zich vanzelfsprekend ook
de ex-moordenaar, die als veroordeelde naast Jezus was
gekruisigd. Als derde te identificeren groep van deze
geliefde mensenmenigte, zijn daar de leden van het
Lichaam van Christus. Zij allen hielden onder de meest
extreme omstandigheden van hun aardse leven het geloof in
de woorden van de Heer Jezus vast: ‘Gij dan zult volmaakt
zijn, gelijk uw hemelse Vader volmaakt is.’ (Matt.5:48)
Het is dan ook goed aan te tekenen dat vanwege deze laatst
genoemde groep mensen, die als eerstelingen met de
Heilige Geest werden gedoopt en vervuld, de Bruid van de
Allerhoogste, tevens de vrouw van het Lam is. De leden
van Christus, die als loten op de edele Olijf werden geënt,
staan tot het overige deel van deze hemelse menigte, als de
tempel tot het overige deel van de stad. Alle mensen die
waarachtig in JHWH geloven maken deel uit van de
geliefde stad, het hemelse Jeruzalem, doch zij die de Geest
van Christus ontvingen vormen de geestelijke woonstede
Gods. (Ef.2:19-22) Christus, dus ook zij die als de leden
van Zijn Lichaam onlosmakelijk met Hem zijn verbonden,
is eveneens deel van de Godsstad. De leden van Christus
echter hebben al vanaf het moment dat zij wederom
geboren werden en om de Heilige Geest baden, innerlijke
gemeenschap met Hem en dit mens deelt niet alleen in Zijn
lijden maar nu ook in Zijn heerlijkheid. Deze mensen
vormen, binnen het totaal van het hemelse Jeruzalem, de
bouwstenen van het Huis Gods. Zij zijn ieder afzonderlijk
een woonstede Gods in de geest. De apostel moedigt de
overige en nog niet met de Heilige Geest vervulde
gelovigen aan, zich ook als levende stenen te laten
invoegen in de tempel Gods. (1Petr.2:5) Alle bewoners der
heilige stad ervaren Gods aanwezigheid van zeer nabij,
want als zuiver goud wordt Zijn onuitsprekelijke
heerlijkheid door hen weerspiegeld.
Hoewel de rechtvaardigen uit het Oude Testament nimmer
de verheven Kracht Gods konden aanwenden in hun hulp
en liefdevol handelen jegens hun medemens, omdat zij
nimmer de genadegave van de Heilige Geest in ontvangst
namen, bezitten zij wel het schitterende kleed der
gerechtigheid. Hun gerechtigheid is dezelfde als die der
leden van Christus, want ook zij geloven immers in hun
rechtvaardiging door het bloed van het Lam Gods. De
rechtvaardigen uit het Nieuwe Testament, die wel de
verlossing door het offer van onze Heiland op Golgota
aannamen, doch net als de ouden nooit in Zijn Naam
zonden vergaven, boze geesten uitdreven en de zieken
genazen, om daarmee de werken te doen die de Meester
ook deed, staan wat dit betreft met de gelovigen uit het
Oude Testament op gelijke voet. (Joh.14:12)
In de Tempel van JHWH, de glorierijke stadsmuur,
waardoor alle geestelijke boosheden konden worden
afgewend en alle herstel en wederopbouw kon beginnen,
heeft de Allerhoogste Zijn welbehagen en is Hij op
bijzondere wijze tegenwoordig. Net als Jezus hun Heer
heeft ook het Lichaam van Christus zich door de doop met
Zijn Geest op bovenmatige wijze kunnen uitstrekken naar
de gevende liefde Gods (agape), en die in de praktijk van
hun leven kunnen aanwenden.
In voltooide fase zijn alle leden der Stad door de Geest van
de Allerhoogste tot hun volheid of volmaaktheid gebracht,
zodat zij in alle opzichten één zijn geworden en de
voltallige Stad van God tot tempelstad maken. Dat haar
Hoofd Jezus Christus uiteindelijk alle macht en
heerschappij aan de Vader teruggeeft, getuigt van de
volkomen onderworpenheid en de grote liefde die Jezus
voor Zijn Vader heeft. (1Kor.15:28) Ondanks Zijn majesteit
en verhevenheid vanwege Zijn ongelimiteerde beschikking
over de Kracht Gods, acht Jezus de Vader meerder dan
Zichzelf. Alles wat onze Heer Jezus deed en nog zal doen,
doet Hij in afhankelijkheid van Zijn liefdevolle Vader. Wij
leren daardoor voortdurend van Hem dat wij nimmer op
enige eigen kracht moeten vertrouwen of daarin zouden
willen staan, maar dat wij tot JHWH moeten bidden, want
zonder de Geest van God kunnen wij niets doen. (Joh.5:30)
Van onze Heiland lezen wij steeds dat ondanks de talloze
wonderen en tekenen die Hij deed, Hij aanhoudend de
mogelijkheid benutte – dikwijls in eenzaamheid – om tot
Zijn Vader te bidden.
Vervolgens wordt Johannes in de geest opgetild naar een
nog hoger niveau, hij wordt door de engel verheven tot
boven op een grote en hoge berg. Op de top van deze
hemelse Berg treft hij het bewuste heiligdom, de geliefde
stad van JHWH aan. Dit is de stad waarnaar ook oudvader
Abraham had uitgezien. (Hebr.11:10) Aan Johannes wordt
nu vervolgens dit aanstonds voltooide megabouwwerk
getoond, waarbij hem door middel van openbaring duidelijk
wordt gemaakt hoe dit Koninkrijk van de Vader op aarde
komt.
Om de hemelse realiteit begrijpelijk te maken, wordt het
oude en uit natuurstenen opgebouwde Jeruzalem als
symboliek genomen. (Opb.21:10) Het spreekt voor zich dat
de stad Gods het nieuwe en hemelse Jeruzalem, opgebouwd
uit de geliefde gelovigen, in het geheel niets meer van doen
heeft met de ongelovigen uit het Jeruzalem van het Midden-
Oosten. Om eventuele onduidelijkheid hierover te
voorkomen, neemt ook de apostel Paulus ieder misverstand
uit de weg en hij schrijft: ‘Maar gij zijt genaderd tot de berg
Sion, tot de stad van de levende God, het hemelse
Jeruzalem, en tot tienduizendtallen van engelen,’
(Hebr.12:22) En om de onoverkomelijke tegenstelling
tussen de ongelovigen van het natuurlijke Jeruzalem en de
gelovigen uit de Koningsstad van Jezus nogmaals aan te
geven, schrijft hij elders: ‘Maar het hemelse Jeruzalem is
vrij; en dat is onze moeder.’ (Gal.4:26)
In de oude koningsstad Jeruzalem, van waaruit koning
David ooit 33 jaar lang Israël en Juda had geregeerd, had
zijn zoon Salomo de tempel Gods laten bouwen. In Zijn
Eigen Tempel, (het huis van de Vader – Joh.14:2) zegt
JHWH naar de gebeden van Zijn volk te zullen luisteren:
‘Thans zullen mijn ogen geopend zijn, en zullen mijn oren
luisteren naar het gebed te dezer plaatse. Thans heb Ik dit
huis verkoren en geheiligd, opdat mijn naam daar zij tot in
eeuwigheid; mijn ogen en mijn hart zullen daar zijn al de
dagen.’ (2Kron.7:15,16)
Toen echter vele eeuwen later het Joodse volk, dat eens de
bouwlieden voor de oude stad en tempel had geleverd, de
hoeksteen en Heer der heerlijkheid Jezus Christus
verwierpen, verbeurden zij de naam Israëliet en Jood. Het
overschot van dit Joodse volk echter, de 120 mensen op de
bovenzaal en zij die na de uitstorting van de Heilige Geest
ook aan Christus werden toegevoegd, behielden met
waardigheid deze kostbare titels. Zij waren van toen aan het
kleine groepje waarachtige Joden, die het niet meer naar het
vlees waren maar naar de geest. (Rom.2:28,29) Aan deze
exclusieve elitegroep, die nog als enigen het predikaat ‘volk
van God’ droegen, werden door de apostelen de mensen van
andere rassen en uit andere landen toegevoegd. De verdere
vervulling van de raad Gods om volmaakte mensen voort te
brengen, is met de aanname en aanbidding van Jezus op de
gelovigen uit alle volken overgegaan. De Vader heeft door
zo te handelen het nieuwe schone Jeruzalem, uit het oude
onwillige en onbruikbare Jeruzalem voortgebracht.
Als dus de apostel hoog in de hemelen wordt weggevoerd
en op de top van de berg Gods aankomt, ziet hij hoe deze
stad der heiligen vanuit de hemelse gewesten op aarde
zichtbaar wordt. Het gaat er bij deze heilige mensenmenigte
net aan toe als bijvoorbeeld bij Mozes en Elia, die eveneens
vanuit de onzienlijke werkelijkheid tevoorschijn kwamen
en aan Jezus en Zijn volgelingen verschenen. De gelovigen
hebben inmiddels allen de kostelijke heerlijkheid van God
ontvangen, en die straalt nu van hen af. De dood werd in
het leven van deze lieden al veel eerder afgeschaft, maar nu
worden zij getoond in de voorspelde heerlijkheid van God.
Deze heerlijkheid is voor een ieder weggelegd die na de
wedergeboorte door zijn geloof de Heilige Geest in
ontvangst neemt, die hem zal leiden in alle waarheid en
gestaag zijn volmaaktheid zal bewerken. De glans die deze
mensen-Gods weerspiegelen vergelijkt Johannes met
kostbaar edelgesteente, met de heldere diamant. Dat de
apostel de diamant als symboliek gebruikt is wel te
begrijpen, dit gesteente wordt onder de meest extreme druk
en hitte gevormd, waardoor het tot de hardste stoffen der
aarde behoort. Zo is het de heiligen immers ook vergaan,
vanwege de zware tegenwerkingen en druk van satan
werden zij gevormd en kon God hun innerlijke structuur
bepalen.
JHWH zorgde met iedere verzoeking in hun leven voor een
uitkomst, waardoor zij tegen alle druk en invloed van de
boze bestand werden gemaakt. (1Kor.10:13)
De stad heeft een grote en hoge muur, waarmee zij
uitdrukking geeft aan haar behaalde veiligheid en de
genezende en verkwikkende uitwerking die zij heeft op hen
die door haar poorten zijn ingegaan. Binnen haar muren
wordt een ieder door de liefde Gods gekoesterd, genezen en
hersteld naar geest, ziel en lichaam. De muur met haar
onwrikbaarheid en haar heerlijke glans heeft de functie van
de tempel overgenomen, immers in het centrum van het
hemelse Jeruzalem zelf is geen tempel meer te vinden. In de
muur van de stad schitteren de woningen van JHWH in het
bijzonder, en vanwege Zijn allerheiligst verblijf in hen
beschikt de hemelse muur over deze enorme heerlijkheid.
In de tijd dat de apostelen voor hun taak werden
uitgezonden, was een klein gedeelte van de stenen muur
van het antieke Jeruzalem, tegelijkertijd ook deel van de
tempel.
Op oude plattegronden van Jeruzalem is te zien dat aan de
oostzijde, waar de Hof van Getsemane aan de stad grensde,
de stadsmuur tevens tempelmuur was. Vanuit het oosten
had men goed zicht op de muur van de oude stenen tempel,
waarvan de kolossaal grote fundamentstenen als lagen in de
stadsmuur waren verwerkt. Het is niet zo verwonderlijk, dat
toen de jonge discipel de tempel aanschouwde tot Jezus zijn
Heer uitriep: ‘Meester, zie, welke stenen en welke
gebouwen!’ (Marc.13:1)
De tempelmuur, die bij het hemelse Jeruzalem dus tevens
volledig stadsmuur is, rust op de twaalf apostelen van Jezus
Christus. Zij zijn de fundamenten der stad en deze mensen
werden persoonlijk door de Meester voor die taak geschikt
gemaakt. Dit is volledig in overeenstemming met het
eeuwige voornemen van God, want Hijzelf is immers de
Ontwerper en Bouwmeester van de heilige stad.
(Hebr.11:10)
Zij werden als eerstelingen door Hem geroepen en Hij bad
voor hen, zodat zij werden geheiligd en bewaard bleven
voor de boze. Na vele jaren actief geweest te zijn met het
Evangelie van hun Meester en Zijn genade verbreid te
hebben, worden hun posities omschreven als de
fundamenten van het nieuwe Jeruzalem, om aan te duiden
hoe kostbaar zij geworden waren. Een parel wordt immers
met het verstrijken der jaren steeds groter en kostbaarder.
De muur der stad werd opgetrokken in de gehele periode
nadat de Heer Jezus was opgestaan en Hij de Heilige Geest
niet alleen aan de apostelen maar ook aan al Zijn andere
discipelen had gegeven, en deze grote groep volhardende
gelovigen eveneens het einddoel van het geloof konden
bereiken. Vanwege deze Kracht uit de Hoge, waarmee ieder
lid van Christus door de doop met de Heilige Geest wordt
aangedaan, kunnen zij eveneens de genade van de Vader
uitdelen; dus boze geesten onderwerpen en de zieke mensen
genezen. (Joh.20:22) Pas nadat werd begonnen de muur op
te trekken, dus nadat Christus in de wereld was gekomen en
Zijn Lichaam gestalte in haar leden kon aannemen en zij
net als Hij ‘de volheid van Christus’ bereiken, wordt ook de
stad Gods voltooid. Zonder de voltooide ‘muur’ kan dus
geen mens tot volmaaktheid komen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *