Het Paradijs

Het Paradijs
Genesis betekent ‘ontstaan’, ‘in een begin’ en het geeft de
periode en situatie weer waarin niet alleen de hemel en de
aarde werden geschapen, maar waarin ook de planten, de
dieren en zelfs Adam werd geformeerd. Dit was het
tijdsbestek v..r Adam door Jahweh in de hof van Eden
werd overgeplaatst. Bij de transcriptie of transliteratie van
de Hebreeuwse letters en tekens naar Nederlandse woorden,
is bij het vertalen van Genesis voor de volgende algemeen
aanvaardde tekst gekozen:
(Gen.1:1 )
‘In het begin schiep God de hemel en de aarde.’
Uit de Hebreeuwse letters en tekens is een Nederlandse zin
gemaakt, door de oorspronkelijke grondwoorden voor de
Nederlandse taal aan te passen wat betreft hun tijd,
meervoudsvorm en interpretatie. De Hebreeuwse
werkwoorden kennen in feite geen tijd. Er wordt dus van
uitgegaan dat ‘scheppen’ wel ‘schiepen’ moet zijn, in eerste
instantie een voor de hand liggende gedachte omdat de
aarde, en ook de Bijbel die haar ontstaan verklaart, al zo
lange tijd bestaan. Maar het ‘wordingsproces’ gaat ook
vandaag nog onverminderd door, maar dan de herschepping
van de oude- naar de nieuwe (tweede) hemel, door de zonen
Gods onder leiding van Christus. Zo wordt er dus steeds
opnieuw ‘begin’ gemaakt, wanneer door middel van het
Evangelie Christus een zondaar bereikt om hem of haar alle
zonden te vergeven en de Heilige Geest te schenken.
(Joh.9:31)
De oorspronkelijke volzin in Nederlandse woorden
uitgedrukt luidt echter als volgt:
‘In begin’ ‘scheppen’ ‘goden’ ‘hemelen’ (en)
‘land’.
Bij het ontstaan van alle dingen is er altijd sprake van ‘een
begin’ waarmee hun formatie een aanvang nam en over dat
moment kan later worden gesproken als ‘het begin’.
Natuurlijk geldt dit voor alles behalve voor Christus Zelf,
van Hem staat dat Hij zonder begin en zonder eind is.
(Hebr.1:8 en 7:3) Toen de geschiedenis ‘in begin’ een
aanvang nam, werd die voor ons opgetekend in Genesis 1
met de woorden: ‘In het begin..’. Met deze zin wordt de
grondlegging der wereld aangeduid, en alles wat Jahweh
God tot stand bracht was aanvankelijk zeer goed.
‘Scheppen’, ‘goden’ en ‘hemelen’ staan allemaal in
meervoudsvorm, hetgeen de Nederlandse vertalers voor
onoverkomelijke problemen plaatste. Er kon immers geen
sprake zijn van meerdere ‘goden’ die ook nog eens
meerdere ‘hemelen’ ‘scheppen’. Er staat heel duidelijk
‘Hoor, Israël: de HERE is onze God; de HERE is één!’,
waarmee deze veronderstelling al gelijk kon worden
ontzenuwd. (Deut.6:4) Eén hemel en één aarde was al meer
dan genoeg, die eenvoudigweg door de Ene Waarachtige en
Almachtige God tot stand waren gebracht. En zo was het
ook, ‘in begin’ maar wat gebeurde er daarna? De Heilige
God schept de hemel door middel van zijn ‘adem’ of
Woord. Dit Woord dat van de Vader uitgaat is Zelf ook
God, trouwens al wat van God uitgaat en tot Hem
terugkeert zal blijken God te zijn. (1Joh.3:2)
Vervolgens gebruikt Hij Zijn Woord om door Hem ook de
engelenlegers tot stand te brengen. ‘Door het woord des
HEREN zijn de hemelen gemaakt, door de adem van zijn
mond al hun heer.’ (Ps.33:6)
Bij het scheppen van de stoffelijke dingen, worden door de
Almachtige behalve Zijn Woord nu ook de tot aanzijn
geroepen engelen ingeschakeld, om vervolgens Zijn Woord
te volvoeren. Het tot stand brengen van de volkomen mens-
Gods waarover Paulus schrijft, ligt tevens al in dit prille
begin bestloten als de Schepper de woorden spreekt: ‘Laat
Ons mensen maken…’. Dit Woord is ‘in begin’ krachtig
genoeg om de ganse mensheid voort te brengen en, zo is
gebleken, daaruit Christus en de overige zonen Gods
tevoorschijn te doen komen. (Gal.4:6) Jahweh God bewijst
hiermee steeds opnieuw Zijn naam ‘IK BEN en IK ZAL
BEWIJZEN TE ZIJN DIE IK VEROORZAAK TE ZIJN’,
eer aan te doen. De Wijsheid gebruikt Zijn Woord en zendt
Zijn engelenscharen om uit het ‘land’ (adama), uit het ‘stof’
der aardbodem het vleselijke lichaam van Adam
tevoorschijn te brengen. (Gen.2:7) Dit getuigt van een
onvoorstelbare Kracht en creativiteit van Jahweh God, Die
het geschapene inschakelt om het vervolg der schepping
mede vorm te geven!
De engelen die zich allen rondom de Allerhoogste God
hebben gegroepeerd, verwonderen zich steeds met
toenemende verwondering over de Kracht en heerlijkheid
waarover hun God en Schepper beschikt. Zij bevinden zich
v..r en rond de Troon der Macht en Majesteit om Hem lof
te zingen en hulde te brengen. (Hebr.1:6) Dit doen zij in
hun eigen taal, dus de taal van God en die der engelen, de
‘glossolalie’. Dat de hemelbewoners deze taal ook zingen is
niet zo vreemd, heel dikwijls schieten woorden alleen tekort
om de devotie en aanbidding voor Jahweh te uiten. Rond dit
machtscentrum bevinden deze lichtdragers zich sinds zij
zelf zijn geschapen en van daaruit vernemen zij het Hoogste
Woord, om dat voor Hem ten uitvoer te brengen en te
volbrengen waartoe Hij hen zendt. (Ps.103:20)
Maar er is één engel die wanneer hij van Jahweh de verdere
plannen verneemt, om Adam en zijn vrouw ‘tot God te
verheffen’ en zij hem voorbij zullen streven door naast God
op de Troon plaats te nemen, hij aan Zijn Woord geen
gehoor geeft en zodoende de weg van het Licht blokkeert.
Dit is satan, de engel die voorheen onder de naam Lucifer
in dienst van God stond. Met zijn val in liefdeloosheid
jegens de Allerhoogste creëerde satan en de engelen die
hem volgden zo een obstakel, waarbij zij het licht dat in hen
was verloren. (Job 4:18) Van dat moment aan heeft de
duivel duisternis in zichzelf veroorzaakt en is hij er de
maker of vader van. In hem is daardoor in het geheel geen
waarheid, liefde of leven. (Joh.8:44)
Met deze daad van ongehoorzaamheid was deze engel de
eerste die in het Koninkrijk van God een aparte, losstaande
plaats innam. Door de duisternis in liefdeloze
ongehoorzaamheid voort te brengen, bracht satan
‘verdeeldheid’ en scheuring aan in Gods hemelrijk. Er zijn
nu twee kernen, het Licht van Gods Koninkrijk en
duisternis door de macht van satan. De duivel werd hierom
door God voor alle eeuwigheden aan de duisternis die hij
had veroorzaakt overgegeven en eraan gebonden. (Jud.1:6)
De afvallige engel en zijn trawanten creëerden met deze
daad van ongehoorzaamheid hun eigen duistere hoek tussen
de andere lichtdragers. Zij kozen vrijwillig zijn kant en
vormen nu het demonenleger, dat de wereldbevolking de
vele eeuwen door heeft geterroriseerd. Hen allen en hun
overste de satan wacht dezelfde eindbestemming; de poel
van vuur, die voor hen is toebereid. (Matt.25:41)
Omdat de demonen onder leiding van satan hun eigen
plaats hebben verlaten, om niet de mens te dienen maar
hem te doden, inspireren zij nu onwetende mensen tot
zondige daden. (Hos.4:6) Als geestelijke wezens hebben
demonen deze kracht, indien zij niet door de mens in wie de
Heilige Geest woont worden teruggestuurd in de duisternis
waar zij horen. (Jac.4:7)
Vanwege de geestelijke krachten en vermogens die de
duivel bij zijn formatie van Jahweh had ontvangen, wordt
zijn werking vanuit de hemelse gewesten door veel mensen
gezien als zijnde het ‘werk van God’. Ook in onze moderne
tijd denken sommige mensen dat voor alles wat er in de
wereld gebeurt God verantwoordelijk is. Met hun
overkomen tegenslag of onheil, trekken zij het bestaan en
de goedheid van God de Vader in twijfel. Hun slogan is
dikwijls ‘als God echt bestaat, waarom laat Hij dan dat of
dat gebeuren?’, doelende op een of andere catastrofe of
wijdverbreide ziekte. Tot deze mensen echter behoorde Job
niet, die vroom en oprecht was, godvrezend en wijkende
van het kwaad.
Ter aarde neergeworpen vanwege alle ellende en
rampspoed die hem door de satan was toegebracht, schreef
Job aan God niets ongerijmds toe. (Job 1:21) Ondanks de
rampspoed en ellende werd Job niet geďrriteerd of
geprikkeld om Jahweh God vaarwel te zeggen, maar bleef
hij de Almachtige God trouw en Hem onder alle
omstandigheden loven. Echter het kwaad dat Job in deze
periode allemaal overkwam schreef ook hij aan God toe,
terwijl toch de satan daar verantwoordelijk voor was.
(Job.2:7) Deze oprechte gelovige uit het oude verbond wist
niet beter, het ontbrak hem hieromtrent aan geestelijk
inzicht. Job kon niet over de wijsheid van de Heilige Geest
beschikken die hem hierin de weg had kunnen wijzen,
immers v..r Jezus’ sterven en opstanding was die nog niet
uitgestort. (Joh.16:13)
Voor Job was alles wat er vanuit de hemelse sferen tot hem
kwam van God, of het nu goed of slecht was en ondanks dit
alles loofde hij God. Nee rampspoed en ziekte komen
vanuit de duisternis van satan tot mensen, en ieder die op
aarde wordt geboren krijgt ermee te maken. ‘De god dezer
eeuw’, zoals de apostel hem noemt, satan is de ‘god’ of
veroorzaker der duisternis en de wereld ligt er midden in.
(1Joh.5:19)

De hemel ofwel de onstoffelijke wereld der engelen werd
door Jahweh God geschapen, de duisternis die er later in tot
stand kwam werd door satan gemaakt. Dit geeft antwoord
op de verschillende ‘hemelen’ en de ‘goden’ die ervoor
verantwoordelijk zijn, waarbij Jehova de Heilige en Enige
is en satan zich in deze wereld nog even als een god kan
laten gelden, doch wiens bestemming vaststaat.
(Opb.20:10)
Trouwens al de engelen Gods zouden ‘goden’ genoemd
kunnen worden, daar zij zich als geestelijke wezens bij God
in de hemel bevinden en met Hem op Zijn Heilige Berg
(kracht) verblijf houden. David schrijft in zijn Psalmen de
zin: ‘Looft de God der goden, want Zijn goedertierenheid is
tot in eeuwigheid’ (Ps.136:2) Deze trouwe en goede
engelen echter weten dat zij enkel Jahweh en de geestelijk
groeiende mens ten dienste mogen zijn, en dat het hen niet
is toegestaan zelf een voorwerp van aanbidding te zijn. Zo
sprak de engel tot Johannes, toen die hoorde dat dit hemelse
wezen de ‘woorden Gods bezat’ en hem wilde aanbidden:
‘Doe dit niet! Ik ben een mededienstknecht van u en uw
broederen, die het getuigenis van Jezus hebben; aanbid
God! (Opb.19:10)
De demonen daarentegen vestigen als zij kunnen, zich
wederrechtelijk in de mens om zo zijn of haar ‘god’ te zijn.
Demonen verheffen zich tegen God en willen waar zij
kunnen juist de plaats van Hem als inspirator en voorwerp
van verering innemen. In hun hoogmoed zetten zij zich
daarmee wederrechtelijk in de tempel, die alléén aan God
Zelf is voorbehouden; de mens. Zo wil de tegenstander aan
zich laten zien dat hij ‘een god’ is. (2Tess.2:4) Is het
vreemd dat mensen die op deze manier boze geesten
herbergen, met blindheid geslagen zijn? (2Kor.4:4) De
duisternis waaronder iedere duivel gevangen zit,
verduisterd bij zijn intrede het hart van de mens. Het is
daarna ‘donker’ geworden in het hart van deze persoon.
(Rom.1:21)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *