Het geheim van Christus

Het geheim van Christus
Christus is de Messias, dat is de heilige Zoon van God
Almachtig die één wezen is met de Vader. (Marc.1:24)
Omdat Christus Jezus volkomen is net als Zijn Vader, kan
Hij het wezen, het karakter en de liefde van Zijn Vader
tonen op een wijze die v..r Hem geen mens heeft gedaan.
Christus is daarmee aan God Zelf gelijk, Hij kan alle dingen
volbrengen die Hij de Vader heeft zien doen. Hij en de
Vader zijn één. Jezus Christus functioneert op het niveau
van de Allerhoogste en Hij is wezensgelijk met Hem. God
is volkomen in Hem en Hij in God. (Joh.14:20) In Christus
krijgt de Vader de mogelijkheid om Zichzelf ten volle te
openbaren en te tonen wat Zijn wil is. De heilige Knecht
van God zoals die in Jesaja wordt genoemd is de Messias,
dat is Jezus Christus (Gr.), de Zoon van God Zelf.
(Marc.1:24) Dit is de enige Uitverkorene van God. Alle
dingen die God heeft gedaan en nog gaat doen, doet Hij
omwille van deze Ene, Zijn Geliefde. Het geheim van
Christus is dat wij mensen deel aan Hem kunnen krijgen.
Stelt u zich eens voor, gewone mensen zoals u en ik kunnen
als deel van de Christus gaan functioneren en de wil van de
Vader doen: het goede, het welgevallige en het volkomene.
(Rom.12:2) Nadat wij uit onze zonden zijn verlost door het
bloed van Jezus, krijgen wij door de beloofde Heilige Geest
deel aan Hem. Jezus Christus is de ware wijnstok en wij
zijn de ranken die wezensgelijk aan Hem zijn en die door
de wedergeboorte geleid worden door dezelfde Geest.
Daarom kon de Heer ook zeggen in Mattheüs: ‘Wie u
ontvangt, ontvangt Mij, en wie Mij ontvangt, ontvangt
Hem, die Mij gezonden heeft.’ (Matt.10:40)
De Messias is de Kyrios, de Grote Koning wiens
Koninkrijk in de hemelen is en dat met kracht en
heerlijkheid ook op aarde geopenbaard wordt. Deze Koning
is Jezus, de Zoon van de Allerhoogste God. Jezus is de
Messias, aan wiens koningsschap en regeertijd geen einde
meer komt maar eeuwig voortduurt. Deze eeuwige Koning
is door God Zelf aangesteld en verheerlijkt. Jezus Christus
is de enige Uitverkorene van God. Omwille van deze Zijn
geliefde Zoon heeft God alle dingen geschapen en gedaan,
en wat de Allerhoogste nog gaat doen is eveneens vanwege
Hem. (Rom.11:36) Deze positie komt Jezus Christus
rechtens toe want Hij is de enige mens die volkomen
gehoorzaamheid aan de Vader heeft bewezen en Diens wil
altoos volbracht, incluis het leiden en het sterven aan het
kruis. Dit is het grootste offer dat een mens ooit bracht en er
is niemand die ooit groter offer brengen kan, vandaar dat
Jezus daarvoor ook de grootste en heerlijkste beloning heeft
ontvangen. (Fil.2:9) Gods liefde werd nooit door iemand op
die manier getoond en bewezen zoals Jezus Christus dat
heeft gedaan, en vervolgens door die mensen geopenbaard
die deel van Zijn lichaam werden. (Joh.6:56) Zijn
goddelijke en kostbare leven zette Jezus een paar duizend
jaar geleden voor u in omdat Hij zoveel van u houdt, en u
door wedergeboorte deel aan Hem kunt krijgen en zo Zijn
Koninkrijk binnen gaat. De bedoeling van het Evangelie is
immers dat een mens Jezus als zijn persoonlijke Koning en
Heer gaat aanvaarden en Hem daarvoor de eer en
dankbaarheid geeft die Hij verdient. Het woord “Jood” is
van toepassing voor iemand die God in Jezus liefheeft.
Jezus als Koning huldigen en loven, betekent dus dat men
in werkelijkheid Jood is. Jezus is de ware Koning der Joden
want Hij eert en looft de enige heilige God Zijn Vader.
(Rom.2:29)
Jezus die uit God werd geboren en op wie de Koninklijke
heerschappij door God Zelf werd gelegd, was reeds in het
Oude Testament door God beloofd. De aangekondigde
Koning die God zou aanstellen, zou Zijn volk (gelovigen)
van al hun vijanden (demonen) bevrijden en verlossen.
(Luc.1:71) Veel mensen van het Joodse volk ten dage van
Jezus, de zeloten meenden dat de ‘verlossing’ die Jezus
bracht inhield, dat door Hem de Romeinse bezetters
verdreven zouden worden. Zoals zoveel mensen ook nog in
onze tijd, wil men dat het volk Israël een aardse strijd gaat
voeren tegen hun aardse vijanden, met aardse wapens en
fysiek geweld. Dit is een ongeestelijke voorstelling van wie
nu eigenlijk tot het volk van God behoren, en op welke
wijze men strijden moet. (Rom.2:29, Ef.6:11)
‘Overgeplaatst’ in het Koninkrijk van Gods liefde, dus in
het Koninkrijk van Jezus wordt men als je onderdaan bent
van Jezus omdat Hij jouw Heer en Koning is geworden. Hij
is als Koning meerder dan hen die ook als koning in Zijn
Koninkrijk verblijven, daarom wordt Hij ook door hen
aanbeden en gedankt. (Opb.17:14) In Zijn Koninkrijk is
Jezus de Koning der koningen, want allen die in Zijn rijk
zijn worden door Zijn macht beschermd en leven als
koningen door Zijn genade en ontvangen voortdurend
zegeningen, kracht en geestelijke overvloed. Door Christus
breidt het Koninkrijk van God zich uit op aarde, doordat Hij
aanwezig is in hen die Hem door de Heilige Geest hebben
ontvangen. In deze heilige mensen is Christus aanwezig en
in Christus plant God Zich voort.
‘Hij stapte weer in de boot en stak over, terug naar zijn
eigen stad. Daar probeerden een paar mensen een verlamde
bij hem te brengen die op een draagbed lag. Bij het zien van
hun geloof zei Jezus tegen de verlamde: ‘Wees gerust, uw
zonden worden u vergeven.’ Daarop zeiden enkele
schriftgeleerden bij zichzelf: Wat een godslasterlijke taal!
Jezus doorzag hun gedachten en zei: ‘Waarom hebt u zulke
boosaardige gedachten? Wat is gemakkelijker, te zeggen:
“Uw zonden worden u vergeven” of: “Sta op en loop”? Ik
zal u laten zien dat de Mensenzoon volmacht heeft om op
aarde zonden te vergeven.’ Toen zei hij tegen de verlamde:

‘Sta op, pak uw bed en ga naar huis.’ En hij stond op en
ging naar huis. Bij het zien hiervan werden de mensen met
ontzag vervuld en ze loofden God, om de macht die hij aan
mensen heeft verleend. Toen Jezus vandaar verder ging, zag
hij bij het tolhuis een man zitten die Mattheüs heette, en hij
zei tegen hem: ‘Volg mij.’ Hij stond op en volgde hem.
Toen hij thuis aanlag voor de maaltijd, kwam er ook een
groot aantal tollenaars en zondaars, die samen met hem en
zijn leerlingen aan de maaltijd deelnamen. De Farizeeën
zagen dit en zeiden tegen zijn leerlingen: ‘Waarom eet uw
meester met tollenaars en zondaars?’ Hij hoorde dit en gaf
als antwoord: ‘Gezonde mensen hebben geen dokter nodig,
maar zieken wel. Overdenk eens goed wat dit wil zeggen:
“Barmhartigheid wil ik, geen offers.” Ik ben niet gekomen
om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars.’
(Matt.9:1t/m13)
God komt door gebed alleen wonen in gerechtvaardigden
(zij die Jezus’ levensoffer aannemen en zo met Zijn bloed
worden gereinigd), Hij kan immers geen gemeenschap
hebben aan de zonde die door zondaren bedreven wordt.
Voordat een mens dus gemeenschap of deel aan God kan
krijgen, dient hij eerst Jezus te aanvaarden als Redder
(priester) en Messias (Koning van God) in wie en door wie
de Vader bekend wordt. Daarom kon Jezus ook zeggen ‘Ik
ben de deur: wanneer iemand door mij binnenkomt zal hij
gered worden; hij zal in en uit lopen, en hij zal weidegrond
vinden’ (Joh.10:9) Jezus kon als Rechtvaardige en met de
Heilige Geest gedoopte mens zeggen: ‘Wie Mij ziet, ziet de
Vader’. Hij vertegenwoordigde de Vader op aarde, en wat
Jezus sprak waren de woorden die God sprak. En wat Hij
deed, was wat Hij de Vader had zien doen. (Joh.5:19)
Tot Christus behoren of niet, wil dus zeggen of een mens
van Jezus is en hij of zij deel uitmaakt van Zijn lichaam
waarin de Heilige Geest werkt en de leiding heeft. Christus
is na de uitstorting van de Geest van God een aanduiding
van het cumulatief; Jezus Christus tezamen met alle mensen
die op Zijn woorden zijn ingegaan en die tevens deel
hebben gekregen aan God door Zijn Heilige Geest. De
mens Jezus is van Christus (de Geliefde) de éérste van alle
mensen, de voorste of ‘Vorst’. Op een dergelijke manier is
er tevens sprake van de antichrist. (1Joh.2:22) Dit is de
aanduiding van eveneens een verzameling mensen en de
geesten in wiens dienst zij staan, maar dan van hen die God
haten en weigeren Zijn wil te doen. Van deze groep, van dit
lichaam is de duivel de eerste of vorst, die niet wil
functioneren volgens de bedoelingen en de wil van God. De
mogelijkheden en posities die God aan ons Zijn mensen
heeft voorbehouden, die wilde de satan voor zichzelf zodra
hij daarvan hoorde, waardoor hij verlangde naar hetgeen
hem niet toekwam. Dit werd zijn val in ongehoorzaamheid
en rebellie, tegen de Majesteit wiens knecht hij was.
Indien een mens niet van Christus is, staat hij buiten de
genade van God want Christus is immers de “Geliefde”.
(Ef.1:6) Ten behoeve van en vanwege de Christus werd
alles gemaakt en geformeerd, zowel in de hemel als op
aarde. (Kol.1:16) Om Hem, door Hem en aan Hem dankt de
ganse schepping haar bestaan. Het ging de Vader bij Zijn
verheven scheppingsplannen dus niet enkel om mensen,
zelfs niet om christenen, maar om de CHRISTUS. D.e Ene.
Op Hem rust de genade Gods en in Hem vindt men waarlijk
rust. (Matt.11:28) Slechts Christus heeft deel aan de
beloften van God, al Zijn rijkdommen en het eeuwig leven.
Om Christus is het God te doen, al het andere is
onbelangrijk. Het unieke van de menselijke geest is dat hij
de mogelijkheid bezit, nadat hij het zondoffer van Jezus
heeft aanvaard, dat deze deel kan krijgen aan Christus en
daarmee aan God. God zij geprezen en gedankt dat Zijn
Zoon Jezus ons zo lief heeft, dat wij door Hem deel kunnen
hebben aan Christus ‘die Ene’, waardoor wij tot Gods
Geliefde zijn gaan behoren.
Wij zijn Christus geworden en God Zelf heeft in ons Zijn
welbehagen, en daarvoor zij Jezus de Zoon van God
eeuwige dank!
Christus is Gods Uitverkorene; de Zoon, uit God geboren.
Dit geeft gelijktijdig een goed begrip van de term
uitverkiezing. Wie tot het uitverkoren volk van God wil
horen, wie uitverkoren wil zijn, die wendt zich tot Jezus de
Heer. Jezus is de exclusieve en enige weg om in Christus
tot God te komen. Zonder Jezus geen Christus en zonder
Christus geen God en zonder God geen leven. De
Almachtige en enige God heeft Zijn keuze gemaakt; Hij
verkiest Christus Jezus en Die heeft er vreugde in om uit
eigen vrije wil altijd Zijn Vader te behagen. En wij die deel
kregen aan Christus doordat ook wij met de Heilige Geest
werden toegerust, kunnen nu ook de wil van God doen; het
goede, het welgevallige en het volkomene. (Rom.12:2)
Jakob werd door God uitverkoren boven Esau, omdat Jakob
blijk gaf te accorderen met de wil van de Almachtige en
eeuwige God. Boven de paragraaf van het eerste hoofdstuk
van Maleachi, staat vanaf vers twee de opschrift: “De
verkiezende liefde des HEREN voor Israël”. Hoewel het
eerstgeboorterecht aan Esau was voorbehouden, hechtte hij
daaraan geen waarde en verkocht dit recht aan zijn jongere
broer Jakob. Esau had meer behoefte aan genot dan aan
God, want zijn verlangen ging enkel uit naar eten en het
drinken van wijn. Daarvan gaf hij blijk met de woorden:
‘Laat mij toch slokken van dat rode, dat rode daar, want ik
ben moe.’ (waardoor Esau de naam Edom werd gegeven),
en met de uiting: ‘Zie, ik ga toch sterven; waartoe dient mij
dan het eerstgeboorterecht?’ (Gen.25:29/34) Esau rekende
niet met de levende God en met de onzienlijke kracht van
Zijn hemels Koninkrijk, dat Hij bij machte was zich ook na
zijn sterven over hem te ontfermen. Esau was niet
georiënteerd op de hemelse zaken maar uitsluitend met
materiële dingen bezig. Voor hem als ongelovige waren de
dingen die hij kon zien en aanraken de enige waar hij op
vertrouwde en waaraan hij kon vasthouden. Het
eerstgeboorterecht of ‘primogenituur’ was het recht van
Esau om als oudste kind de erfenis van zijn vader te
ontvangen, die met name bestond uit de beloften die God
reeds aan zijn grootvader had gedaan en die van vader op
zoon waren overgegaan. Door het geloof zou ook Esau
kunnen delen in deze onzienlijke rijkdommen Gods,
waardoor hij ook in de stoffelijke wereld de zegen had
kunnen ontvangen. De God van Jakob zou ook de God van
Esau moeten zijn, want zij waren immers beiden zonen van
Isaak en Abraham aan wie de waarachtige God de beloften
had gedaan. (Gen.17:7) Maar Esau zag alleen aan wat hem
voor ogen was en hij hield niet van de onzichtbare God in
wiens dienst reeds zijn grootvader had gestaan. Omdat hij
niet in Hem geloofde dat Hij een waarmaker is van Zijn
woord, kon Esau God niet behagen en dus ook niet
liefhebben. (Hebr.11:6) Om deze reden gingen de beloften
aan Abraham gedaan niet over op de ongelovige Esau, maar
op de gelovige Jakob. Vanwege zijn geloof in het
geboorterecht om daarmee tegelijkertijd de erfenis Gods te
mogen ontvangen, werd Jakob verkozen boven Esau.
Zovele beloften Gods er echter ook zijn, slechts in Jezus
Christus worden zij allen vervuld en zijn zij ja en amen.
(2Kor.1:20) En wederom kan ook nu slechts door ons
geloof van het geboorterecht van Christus gebruik gemaakt
worden. De zonde van de Joodse religieuze elite was dan
ook dat zij in ongeloof Jezus verwierpen en niet aannamen
dat Hij de Christus was die van God was gekomen. Tot het
allerlaatst aan toe, terwijl Jezus al aan het kruis hangt
hebben deze leiders niet geloofd dat Jezus en God één zijn
maar hoonden Hem en zeiden: ‘Anderen heeft hij gered;
laat hij nu zichzelf redden als hij de Messias van God is,
zijn uitverkorene!’ (Luc.23:35) Door dit te doen stelden zij
zichzelf buiten de genade en zegen van God, omdat de
Vader uitsluitend Zijn Zoon verkiest en buiten de Zoon
verkiest Hij niets.
De apostel Paulus stelt in de Romeinenbrief nog dat het de
soevereine God vrij staat om Zijn keuze te maken. (Rom.9)
Dat God de Vader Zich uitspreekt voor Zijn Zoon Jezus
Christus, daarvan kunnen engelen of mensen Hem niet
weerhouden. Christus kan altijd op de voorzienigheid van
de Vader rekenen, alles wat Hij vraagt ontvangt Hij van
Zijn Vader. De Vader is Jezus in Christus altijd nabij omdat
Hij Zijn woning in Hem heeft gemaakt en in Hem Zijn
welbehagen heeft. Dat Christus Jezus volkomen
beantwoordt aan de behoefte en de wil van Zijn Vader en
Zijn innerlijk leven volkomen op de Almachtige is afgesteld
en respectievelijk zijn vleselijk lichaam voor Hem heiligt,
kan ook worden opgemaakt uit de woorden van Psalm
69:10 die door Zijn discipelen worden aangehaald in
Johannes 2:17. Hier wordt weergegeven hoe Christus en zij
die bij Hem horen ook hun vleselijk lichaam afzonderen
van onreinheid en ongerechtigheid maar die slechts in
dienst willen stellen van de Heilige God. In het lichaam van
hen die tot Christus zijn gaan behoren woont immers de
Heilige Geest. (1Kor.6) Zoals Jezus tewerk ging bij de
tempelreiniging, waarbij de handelaren – type van en aan
boze geesten verbonden mensen – uit het huis van Zijn
Vader worden verdreven, z. gaat ook de Geest van Christus
aan de slag als Hij het huis van de Vader binnentreedt dat
wordt uitgebeeld door ons lichaam. (Matt.21:12) Hiermee
wordt tegelijkertijd duidelijk dat wanneer iemand tot geloof
in de Heer Jezus komt hij of zij niet automatisch geheel van
demonen is verlost integendeel, nu vangt de strijd tegen
deze geesten der duisternis pas goed aan die door te
volharden in geloof gewonnen wordt. (Rom.2:7) In het
oude zondige bestaan van de onwetende mens hadden
demonen soms grote bewegingsvrijheid omdat ze door hun
slachtoffers niet werden opgemerkt. Bij de nieuwe mens
Gods in Christus, wiens ogen voor de geestelijke werkelijke
toestand zijn opengegaan, worden de onreine geesten bij het
Licht van Christus Geest en in Diens kracht verdreven.
De Heer en Heiland zegt Zelf in Mattheus: ‘Maar indien Ik
door de Geest Gods de boze geesten uitdrijf, dan is het
Koninkrijk Gods over u gekomen.’ (Luc.11:20)
De doop met de Heilige Geest die in het waterbad wordt
uitgebeeld, geeft duidelijk weer hetgeen er allemaal in de
onzienlijke sfeer gebeurt. De zondaar wordt door Gods
Geest overtuigd van zijn zonden en dat hij zich als slaaf in
de duisternis bevindt, waarvoor hij met de dood werd
beloond. Het leven van God moet hij ontberen, want zijn
ongerechtigheid maakt scheiding tussen hem en God. Los
van God verblijft een mens zo tot hij sterft in de ‘schaduw
des doods’ en wanneer dan de laatste adem wordt
uitgeblazen, slaat men in de ‘hades’ of dodenrijk de ogen
op. (Luc.16:23) De mens die zich tijdens zijn leven op
aarde van zijn ellendige situatie bewust is geworden gaat
om gered te worden in gebed tot de Heer Jezus, Die als
enige bij machte is deze persoon uit de dood te halen. Dit
beeldt de dopeling uit door zich in het water te begeven en
zich aan Christus over te geven, Die ons in deze
doodstoestand heeft gezocht en ons redt. In Zijn handen
gaan wij vervolgens geheel onder, om daarmee het door
zonde aangetaste oude leven geheel prijs te geven aan het
vuur (beeld van de demonen), dat volledig vergaat en
verdwijnt. We laten ons ondeugdelijke slechte leven los en
hechten ons aan de Heer Jezus Christus om één met Hem te
worden, Hij is het immers Die de vuurgloed der boze
geesten heeft weerstaan en Zijn kracht en Zijn kostelijke
leven dat ook wij nu van Hem ontvangen kan de zonde- en
doodsmachten ontstijgen en overwinnen. De Heer Jezus
ging in geloof onder in het doopwater en steeg er weder uit
op (beeld van de dood) en geloofde dat de Heilige Geest
Hem vanwege Zijn geloof kracht zou geven om de werken
Gods te doen en macht zou geven om over de gehele
legermacht der boze geesten te heersen. (Matt.3:16) Dit
beeldt een ieder uit die in geloof en gehoorzaamheid het
bevel van de Heer Jezus opvolgt om zich te bekeren en in
water te laten onderdompelen (dopen) om behouden te
worden, dat is onkwetsbaar en veilig voor de inwerking der
zondemachten. (Marc.16:16)
Niets van onszelf achten wij nog geschikt, goed genoeg of
bij machte in de strijd om van de dood los te komen.
Christus ging vanwege ons vrijwillig geheel onder in de
dood, maar God kan van de dood geen schade lijden, deze
deert Hem niet, en Hij kon toen Hij dat wilde Zijn leven
weer opnemen en uit de doodssfeer naar boven komen en
eruit opstaan. De ontelbare heilige schare die in de loop der
eeuwen de Heilige Geest hebben ontvangen, kunnen in Zijn
kracht de geestelijke vijanden overwinnen. Het oude
zondige leven dat zij ooit hadden, lieten zij bij hun
wedergeboorte als nutteloos omhulsel achter in de dood, dit
mist immers de kracht om zich van de dood te ontdoen.
(Matt.9:17) Gods leven dat Christus ons op deze unieke
manier kan geven, functioneert niet onder het water (beeld
van de dood) maar juist in de nieuwe ‘sfeer’ daarboven,
waar lucht is en licht: het Koninkrijk Gods in de hemel.
Met onze geest zijn wij overgeplaatst in Zijn Koninkrijk
zodra wij door wedergeboorte deel van Christus worden, en
met onze ‘voeten’ (beeld ons lichamelijk bestaan in de
wereld) zetten wij passen om geheel het water te verlaten,
opdat ook ons lichaam deel zal hebben aan deze heerlijke
werkelijkheid waar God in voorziet. Wij verlaten het
waterbad (de dood) en stijgen er als eerste met hoofd en
bovenlichaam ( ons ‘hart’) uit op en uiteindelijk met de rest
van ons gehele lichaam, inclusief onze benen tot en met
onze voetenzolen toe. Om binnen dit beeld te blijven houdt
dat dus in dat naarmate wij de volkomenheid naderen ook
ons vleselijk lichaam dat zo lange tijd aan aftakeling
onderhevig was, verheerlijkt zal worden en met
onvergankelijkheid bekleed zal worden. (1Tess.5:23) Het
heeft overigens geen enkele zin voor de oprechte gelovige
om zich af te vragen welke demonen er eventueel een rol in
zijn oude leven hebben gespeeld, want zodra de Geest
waarmee Jezus doopt Zijn aanwezigheid doet gelden komen
deze vijanden vanzelf aan het licht indien zij niet voortijdig
de wijk hadden genomen. In gebed met God is het voor
ieder lid van Christus mogelijk geworden om zijn
geestelijke vijanden te overwinnen en buiten te werpen;
‘Dit geslacht vaart niet uit dan door gebed en vasten’
(Matt.17:21) Op deze wijze, dus door bezig te zijn in de
hemelse gewesten d.m.v. gebed, is God hen die van
Christus zijn nabij en wordt Hij één met hen om hun
belagers te slaan. (Matt.6:6) Samengebracht in Christus kan
de gelovige in de onzienlijke sfeer delen in de verheven
kracht van de Majesteit Gods en elke hindernis nemen.
(Ps.18:30)
Toen Jezus in Getsemane moest lijden en later aan het kruis
riep ‘Vader waarom hebt U mij verlaten’ (Ps.22), had Hij de
zeggenschap en de macht over Zijn vijanden omwille van
ons zondaren ‘voor korte tijd’ afgelegd. (Hebr.2:9)
Nochtans bleef Hijzelf de Rechtvaardige Gods want Hij
werd uit God geboren en alles wat uit God geboren is
overwint de wereld. Omwille van Zijn eigen
rechtvaardigheid die Jezus ook gedurende Zijn lijdensweg
behield was Hij steeds in die staat dat Hij opnieuw met de
Trooster verbonden kon worden, dus Gods onweerstaanbare
kracht in ontvangst te nemen. Dit deed Jezus toen Hij zei:
‘Vader in Uw handen beveel Ik Mijn Geest’ (Luc.23:46)
Gaande en beladen met de immense zondeschuld van alle
mensen van alle tijden, zondigde Jezus niet één enkele keer
door Zijn Heilige Vader ongehoorzaam te worden, en deze
lugubere opdracht niet ten einde toe af te maken. Jezus
wilde boven alles de wil van Zijn Vader doen en tot alles
was volbracht, daaraan gehoorzaam blijven. Hij geloofde
Zijn Vader onvoorwaardelijk, ook toen dat betekende dat
Hij omwille van Zijn Vaders voornemen moest sterven.
V..r dit alles zou geschieden zag Jezus in geloof reeds op
de heerlijkheid die Hem vanwege Zijn trouw volharden,
door Zijn Vader gegeven zou worden. (Hebr.12:2)
Christus was reeds in het paradijs als ‘boom van eeuwig
leven’ aanwezig. Johannes de Doper sprak: ‘Deze is het,
van wie ik zeide: Na mij komt een man, die v..r mij
geweest is, want Hij was eer dan ik.’ (Joh.1:30) Het was
vanaf de schepping Gods primaire bedoeling dat gewone
mensen deel zouden krijgen aan Christus, door van Hem te
‘eten’. De woorden van God zouden dan in hun ‘binnenste’,
hun zielenleven terechtkomen, om zo eeuwig leven te
schenken aan de eter. De psalmist schreef ‘O God, Gij zijt
mijn God, U zoek ik, mijn ziel dorst naar U’ (Ps.63:1)
David wilde met de levensbron in contact komen. Dankzij
het werk van zijn nakomeling Jezus is deze wens voor ons
met de doop in de Heilige Geest in vervulling gegaan. Jezus
sprak: ‘Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, blijft in Mij
en Ik in hem.’ (Joh.6:56) Zijn vlees eten wil zeggen, op
dezelfde wijze leven en de werken doen die Hij ook deed.
Jezus’ bloed drinken wil zeggen, deel krijgen aan Z.jn leven
dus deel van Christus worden. Zijn bloed werd voor ons
allen vergoten omdat Hij de straf kreeg die ons toekwam,
waardoor wij zonder enige schuld in gebed tot de Vader
kunnen gaan. Jezus gaf Zijn leven opdat wij zonder schuld
zouden zijn ofwel ‘onschuldig‘. Wie zich langs deze weg
van zijn onschuld bewust wordt heeft het bloed van Jezus
gedronken, dit bewerkt in zijn ‘binnenste’ een smetteloze
staat van rechtvaardigheid en onschuld.
Dit is het unieke van Jezus prediking aangaande het
Koninkrijk Gods, dat wij door Zijn Geest daar binnengaan
en voor eeuwig het waarachtige licht des levens ervaren.
Het waarachtige leven en de waarheid Zelf namen gestalte
aan in Jezus, toen Zijn vleselijk lichaam op aarde
geformeerd werd. Hij sprak daarom: ‘Ik ben de weg, de
waarheid en het leven’ (Joh.14:6)

De levensbron van God uit het Paradijs, was dus in Jezus
Christus de mensen in de duisternis van deze zondige
wereld achternagekomen, om hen alsnog te redden omdat
langs elke andere weg de toegang tot het Paradijs was
toegesloten. (Gen.3:24) Christus is dus de “mobiele” boom
des levens, die Zijn plaats bij de Vader in heerlijkheid
verliet om ons, die in ongerechtigheid verloren waren te
zoeken. Tijdens Jezus’ rondwandeling op aarde was Hij nog
maar de enige mens in wie de Geest van Christus blijvend
woning had gemaakt, vandaar dat Hij terecht met Christus
is gepersonifieerd. De Heilige Geest Gods is Hem altoos
nabij, maakt Hem alle dingen mogelijk en schenkt Hem
alles. Dat kan God ook omdat Jezus volkomen goed en
rechtvaardig is en Hij heeft er een behagen in het goede,
dus de wil van Zijn Vader te doen. De alles te bovengaande
kracht van de Heilige God is altoos op Christus, deze is
Hem tot steun. De leerdicht die over de knecht des Heren
David werd gedaan, kreeg zijn uiteindelijke vervulling en
werd ten volle van toepassing op zijn nageslacht, Jezus
Christus:
‘Ik heb David, mijn knecht, gevonden, met mijn heilige olie
heb Ik hem gezalfd; voor wie mijn hand tot steun zal zijn,
ook zal mijn arm hem sterken; geen vijand zal hem
overvallen, geen booswicht zal hem verdrukken; ja, Ik zal
zijn tegenstanders voor zijn aangezicht verpletteren, wie
hem haten, zal Ik verslaan. Maar mijn trouw en mijn
goedertierenheid zullen met hem zijn, en door mijn naam
zal zijn hoorn verhoogd worden; ook zal Ik zijn hand
leggen op de zee, en zijn rechterhand op de stromen. Hij zal
tot Mij zeggen: Gij zijt mijn Vader, mijn God en de rots van
mijn heil. Ja, Ik zal hem tot een eerstgeborene stellen, tot de
hoogste van de koningen der aarde. Voor altoos zal Ik
jegens hem mijn goedertierenheid bewaren en mijn verbond
zal voor hem vast blijven; zijn nakroost zal Ik voor immer
doen voortbestaan, en zijn troon als de dagen des hemels.’
(Ps.89:21t/m30)

Bij de geboorte van de ultieme nakomeling van David, de
hoogedele troonpretendent Jezus Christus, was Gods eigen
Zoon op aarde gekomen. Het grootste probleem dat de
Joodse hogepriesters met Jezus hadden, was nu juist dat Hij
God Zijn eigen Vader noemde. (Joh.5:18) Echter met de
geboorte en de prediking van Zijn Zoon Jezus uit het
geslacht van Koning David, had God de schriften immers in
vervulling doen gaan. Deze waarachtige uit God geboren
Zoon zou de volle waarheid spreken door tot Hem te
zeggen:’Gij zijt Mijn Vader, mijn God en de rots van mijn
heil.’ Er staat verder nog dat God de Vader Hem tot een
eerstgeborene zal stellen, waarmee Hij aangeeft dat er na
Jezus nog velen zullen volgen die de Geest van Christus
zullen ontvangen en als zonen Gods kunnen leven. Door de
Heilige Geest roepen zij net als Jezus ’Abba Vader’.
(Gal.4:6)
Christus is van eeuwigheid en was er al v..r de schepping
een aanvang had genomen. Hij is van v..r ‘het begin’ van
Genesis, Hij is er van v..r alle tijden, Hij is de Eeuwige,
Jahweh Shamah. (Ez. 48:35) God wil in Christus gestalte
aannemen in mensen, zij zijn om die reden immers reeds
naar Zijn beeld als Zijn gelijkenis geschapen. (Gen.1:26)
De mens is volgens de Psalmist reeds nu bijna goddelijk
gemaakt. Voor wie deel krijgt aan Christus, wordt dat ook
werkelijkheid. De mens Jezus is de Zoon van God en werd
door het geloof van Maria en door de Kracht van de
Allerhoogste, als Rechtvaardige in haar schoot ontvangen
en als zodanig na de gebruikelijke zwangerschapsperiode
daaruit geboren. Omdat alleen de Rechtvaardige in staat is
om met God om te gaan, zoals Henoch een vriend van God
werd genoemd, kon Jezus rekenen op de volle genade van
de Vader. Deze genade bestond erin dat Jezus met de
heerlijkheid Gods werd bekleed, toen Hij Zijn taak als
Messias aanvaardde tijdens de doop in de Jordaan. De
Heilige Geest kwam op Hem en bleef op Hem. Zij die uit
God geboren worden door het Woord van Jezus en daarvan
getuigenis geven door middel van onderdompeling in een
waterbad, kunnen allemaal rekenen op deze genade van
God. Zijn Heilige Geest met Zijn ganse kracht komt om
woning in hem of haar te maken, dus blijft in hen en bij
hen. (Joh.14:17) Langs deze weg maakt Christus allen deel
van de Rechtvaardige en zijn deze mensen goed, omdat ze
met God Zelf tot één geheel zijn geworden; niemand is
immers goed dan God alleen. (Mar.10:18)
Met Jezus kwam het ‘Hoofd’ van Christus in deze wereld,
aan wie terecht deze Zijn Naam werd gegeven. Met alle
mensen die in gelovige gehoorzaamheid door de Heer Jezus
gered werden van de dood en Zijn Geest ontvangen, komt
het overige deel van het lichaam van Christus eveneens
onder dezelfde Naam in de wereld. Denk aan de natuurlijke
geboorte van een baby. Eerst komt het hoofd en daarna
volgt de rest van zijn lichaam. Christus duidt dus op Jezus
mét al die mensen die Zijn eigendom zijn en delen in Zijn
Geest; Hoofd én lichaam, zij zijn immers allen deel van
hetzelfde wezen. Langs de weg van Christus heeft de
Almachtige God dus mensen tevoorschijn gebracht die van
Zijn niveau zijn. Christus is de volwaardige Partner van
God en Samen zijn Zij één Geest. Om het geheel in
vogelvlucht te schetsen, gelijkt het op een ambachtsman die
zich voorneemt een huis te gaan bouwen. Vooralsnog heeft
Hij daarvoor echter geen bouwmaterialen, bouwtekeningen
of medewerkers. Hij gaat aan de slag en verzamelt de juiste
‘kennis’ om deze unieke en gigantische klus te klaren.
‘Ik, de Wijsheid, woon bij de schranderheid en ik verkrijg
kennis door overleggingen.’ (Spr.8:12) Dan vangt Hij aan
medewerkers te formeren door ze tot aanzijn te ‘roepen’, zij
zullen de Bouwheer bij de uitvoering met hun kracht en
vermogen terzijde staan en Hem helpen; de zeer grote en
voltallige engelenschare.

Om de lijn van deze uiteenzetting even voort te zetten, gaat
de ambachtsman verder en schept het ‘leem’, de aarde
waaruit Hij het ‘bouwmateriaal’ gaat halen; Adam. (Adama
Hebr. = ‘aarde’) Na zovele scheppingsperioden komen daar
de miljarden mensen tevoorschijn, uit wie de Vader
diegenen kan gebruiken die deel krijgen aan Christus: de
Boom des Levens in het midden van het Paradijs Gods.
Uiteindelijk zal over hen die de volheid in Christus
bereiken en gezamenlijk de volkomen Vrouw van God
vormen gezegd kunnen worden: ‘Want uw man is uw
Maker, ..’ (Jes.54:5)
In Zijn onuitsprekelijke wijsheid bracht God dus niet alleen
de schepping tot stand, de hemel en de aarde met alle
stoffelijke elementen erop, maar door de ‘Boom des
Levens’ Christus, bracht God z. een goddelijk wezen
tevoorschijn die volkomen bij Hem past. Christus Jezus mét
allen die van Hem zijn door Zijn Geest, vormen de Vrouw
van God.
God is het Hoofd van Christus en in het gehele lichaam van
Christus woont Hij. (1Kor.11:3) Christus is de vrouwelijke
equivalent van God Zelf, Zij is de heilige en kuise vrouw
uit Openbaring (12:17), de Vrouw van God. De Geest geeft
aan dit Lichaam leven dat het altijd vol kan houden, dus ‘tot
in alle eeuwigheden’. Aan alle levende wezens heeft de
Schepper een levensgeest toebedeeld, die er voor zorgt dat
het organisme waarin hij woont zich op de juiste manier
ontwikkelt en in stand wordt gehouden. Dit geldt voor de
plantenwereld maar ook voor de dierenwereld. Dit geldt
voor de mens die als hoogste wezen naast God Zelf zal
moeten functioneren. Christus, die dus met de Heilige
Geest is gezalfd kan dit niveau daadwerkelijk behalen. De
Christus is het uit vele mensen ‘samengestelde’ geestelijke
wezen, waar de Almachtige Zelf één mee is en altijd mee
verbonden blijft. Jezus is de éérste van deze nieuwe
schepping. Wij als Zijn volgelingen zijn de ‘eerstelingen’
van die nieuwe schepping Gods.
Hij is de wijnstok, en wij zijn op Hem als ranken
aangebracht. Hij is de Boom des Levens, en wij zijn het
geboomte des levens dat bij Hem in Zijn directe nabijheid,
dus in het paradijs staat. ‘Heden zult gij met Mij in het
paradijs Gods zijn’, daarmee wilde de Heer Jezus aan de
veroordeelde naast Hem aan het kruis zeggen: Omdat u in
Mij en Mijn Koninkrijk gelooft zal Ik u heden met Mij
verbinden en zal Ik u in Mijn leven dat tegen de dood
bestand is laten delen. (Luc.23:43) De met de Heilige Geest
gedoopte mensen van alle tijden en alle plaatsen, vormen
met elkaar het lichaam dat samen met hun Hoofd Jezus het
heilige wezen vormt dat door Jezus zijn ‘loon’ wordt
genoemd. (Opb.22:12) De gelovige schare die Koning
Jezus vergezelt, werd Hem door de Vader gegeven als
beloning voor het offer Hij met Zijn leven bracht en
waardoor het mogelijk werd dat deze mensen Zijn Heilige
Geest konden ontvangen. De Heilige Geest is de
levenskracht die de wijnstok in stand houdt en voorziet er
tevens in dat deze ranken kan voortbrengen. Is nu de
wijnstok goed, dan zijn ook de ranken goed. Jezus bad tot
Zijn Vader: ‘Vader, hetgeen Gij Mij gegeven hebt – Ik wil,
dat, waar Ik ben, ook zij bij Mij zijn, om mijn heerlijkheid
te aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt, want Gij hebt
Mij liefgehad v..r de grondlegging der wereld.’
(Joh.17:24)
Johannes de doper neemt in het water van de rivier de
Jordaan de plaats in, die de Heer Jezus in de hemelse
gewesten heeft. Johannes doopt in de stoffelijke wereld met
water, en Jezus doopt in de onstoffelijke of geestelijke
wereld met de Heilige Geest en met vuur. (Matt.3:11)
Doper en dopeling komen bij deze handeling bij elkaar en
vormen een geheel, waarbij de dopeling zich in de handen
van de Doper overgeeft. De doper aanvaardt de met zonde
belaste dopeling, en verlost hem of haar bij deze
geloofsdaad van zijn last. Als Johannes Jezus doopt, stan
zij beiden in het water. Zij bevinden zich dus in dezelfde
omstandigheden. Dit is wat Jezus wilde uitbeelden en dit is
tevens wat wij, die Zijn doop ernstig nodig hebben,
moesten uitbeelden; Jezus tot ons gekomen in onze situatie
waarin we door zonden dood zijn. Indien wij Zijn woord
horen en erkennen hoe kwalijk wij er aan toe zijn, komen
wij die dood waren door Zijn spreken tot leven. (Joh.5:25)
In de hopeloze en reddeloze toestand onder de zonde zijn
wij allen kansloos verloren, behalve als wij ons aan
Christus toevertrouwen. Wij geven ons dan in geloof aan
Hem over, terwijl Hij Die ons reeds zocht, ons met liefde in
Zijn armen ontvangt. Zijnde in het machtsgebied van de
dood (in het water) gaat Christus geheel daarin onder, en
wij met Hem. Van onszelf hebben wij in het geheel niet de
kracht om daaruit naar boven te komen of te overwinnen,
maar Christus heeft dat wel! Zo redt Hij ieder mens die
vanwege de zonde dood is, door zijn of haar zonden te
vergeven en Zijn Eigen kracht te schenken omdat wij één
zijn geworden met Christus. Daar Jezus Christus iedere
gelovige volgeling de belofte van de Heilige Geest in het
vooruitzicht stelt, attaqueren de zondemachten en demonen
deze door God geliefden in het bijzonder. Deze
aanhoudende beproeving die ook Jezus onderging, wordt
door Johannes omschreven met ‘doop met vuur’.
De waterdoop van Jezus ziet dus vooruit op en beeldt uit,
het sterven en de dood die Hij vanaf Getsemane tot en met
Golgota moest ondergaan. Ook Jezus vertrouwt uitsluitend
op de uitkomst en de hulp van Zijn Vader en als Hij de
zondeschuld van ons aan het kruis heeft gebracht en alles
volbracht is, bidt Hij Zijn Vader wederom Hem met de
majesteit die Hem toekomt te omkleden, met de woorden
‘Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn Geest’ (Luc.23:46) De
‘hand’ van de Vader duidt op Zijn onoverwinbare
geestelijke kracht en heerlijkheid waarnaar de Heer Jezus
verlangt om daar wederom in te leven. Omwille van ons
had Hij alles afgelegd en geheel zonder koninklijke luister
stond de Heer Jezus voor stadhouder Pilatus die opmerkte
‘Zie de mens!’. (Joh.19:5) Omwille van Zijn liefde om Zijn
Vaders wil te doen en om Zijn liefde voor ons ontvangt
Jezus Christus meer dan wie ook, Hij krijgt van de Vader de
aller belangrijkste positie.
Bij Zijn waterdoop ontving Jezus de volmacht, de kracht én
de bevestiging van Zijn Vader uit de Hoge met de woorden
‘Deze is mijn Zoon, de geliefde, in wie Ik mijn welbehagen
heb’, dat Hij de Redder der ganse mensheid is en Koning
over allen. (Matt.3:17) Zijn Koninkrijk wordt hiermee op
aarde, in het territorium van de duivel door geesteskracht
gemanifesteerd en geopenbaard. Vanaf nu gaat Jezus als
onopvallende Koning laten zien aan de mensen wat het
betekent om deel te hebben aan het Koninkrijk der
hemelen, dus waar Hij Heer is!
‘Wie een oor heeft, die hore, wat de Geest tot de gemeenten
zegt. Wie overwint, hem zal Ik geven van het verborgen
manna, en Ik zal hem een witte steen geven en op die steen
een nieuwe naam geschreven, welke niemand weet, dan die
hem ontvangt.’ (Opb.2:17)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *