Geest, ziel en lichaam

Geest, ziel en lichaam
De ziel en geest van een mens vormen een geheel, en zijn
uniek voor de bepaling van onze persoonlijkheid. Dit
onzienlijke of geestelijke gedeelte vormt tezamen met het
vleselijke lichaam het totaal, de volheid of de hele mens.
Wanneer ziel en geest gescheiden worden van het vlees, kan
dit lichaam niet verder functioneren in de stoffelijke wereld
en sterft af. Het hemelse gedeelte, de geestelijke mens blijft
waar hij zich op dat moment bevond; ofwel nog in de
duisternis van de dood .f door Christus Jezus in het licht
van het leven. (2Kor.5:1)
Dat de apostel bij zijn uitleg een differentie aanbreng door
de geest, de ziel en het lichaam apart te noemen, beoogt niet
deze componenten te scheiden, maar daarentegen veeleer
om ze ten volle te waarderen. ‘En Hij, de God des vredes,
heilige u geheel en al, en geheel uw geest, ziel en lichaam
moge bij de komst van onze Here Jezus Christus blijken in
allen dele onberispelijk bewaard te zijn.’ (1Tess.5:23)
Geest en ziel van ieder mens vormen dus een geheel, die
niet los van elkaar functioneren. Waar de geest van de mens
zich bevindt, daar is ook de ziel aanwezig en omgekeerd. In
een allegorische voorstelling van geest en ziel, zou de ziel
kunnen worden voorgesteld als het hart van een ‘lichaam’.
De geest stelt dan het geheel van het (geestelijk)lichaam
voor. Bij de zijnen is Christus ‘boven’ dit lichaam geplaatst,
en heeft als Hoofd de leiding en de controle over het
geheel. In deze voorstelling is de ziel onderworpen aan de
Geest waarmee hij is verbonden, zoals het lichaam van een
mens gaat waarheen het hoofd hem leidt.
Ook de Vader beschikt over een ziel, zoals de profeet Jesaja
documenteerde in zijn profetie over Jezus Christus; ‘Zie,
mijn knecht, die Ik verkoren heb, mijn geliefde, in wie mijn
ziel een welbehagen heeft..’ (Matt.12:18) Terwijl Jezus van
Zijn Vader zegt dat Hij Geest is. (Joh.4:24) Geest en ziel
gaan samen omdat zij een geheel zijn, zowel bij God als bij
de mens, die door Hem als Zijn beeltenis werd geformeerd.
Het is niet de bedoeling dat wij geest en ziel in het vleselijk
lichaam van een persoon trachten te lokaliseren, waarbij
dan bijvoorbeeld de geest in het hoofd zou verblijven en de
ziel in het vleselijk hart. Sommige onmondige christenen
doen dit wel, en komen dan met hun voorstelling van zaken
in de problemen bij onderwerpen als orgaantransplantatie of
het donorcodicil. Wat te doen als het leven van een mens
gered kan worden d.m.v. een harttransplantatie, terwijl dit
hart afkomstig is van een ongelovige? Is zo’n patiënt na de
geslaagde operatie dan zelf ook weer een ongelovige
zondaar? Nee, met de mens ‘des harten’ wordt de
onstoffelijke geestelijke mens bedoeld; zijn geest en ziel.
Een vleselijk hart, al dan niet door orgaandonatie
verkregen, kan zich niet op dat niveau bewegen of daar
verblijven. (1Kor.15:50)
Beiden, geest en ziel duiden op het onstoffelijke deel van de
mens, dat tijdens het menselijke leven de beschikking heeft
over een lichaam van vlees en bloed. Wanneer de Psalmist
uitroept: ‘Schep mij een rein hart, o God, en vernieuw in
mijn binnenste een vaste geest’, is dit een bede om
vernieuwing van de ganse innerlijke, geestelijke mens.
(Ps.51:12) Soms worden behalve het hart ook de nieren
genoemd als aanduiding van dit hemelse, onzienlijke deel
van de mens. Zo zag David met zijn geestesoog dat God in
de onzienlijke wereld de innerlijke mens bezoekt door ‘hart
en nieren’ te toetsen. (Ps.7:10 / 26:2)
Blijvend binnen de parabel, is de ziel het orgaan waarmee
het vleselijke lichaam in de stoffelijke en tastbare omgeving
alle prikkels zintuiglijk kan waarnemen en opnemen. Een
ontzield of dood lichaam daarentegen, valt op geen enkele
wijze meer te prikkelen. Kennis, ervaringen, bezittingen,
fantasieën, geboden, etc., kunnen allemaal door de ziel
worden verzameld, indien die door deze dingen geprikkeld
wordt. Alle prikkels die vanuit de stoffelijke wereld een
begeerte opwekken, kunnen zich zo vrij aan de ziel
aanbieden, die daarmee verzocht wordt.
De ziel zal aansporen dat het lichaam wordt ingezet om in
deze behoeften te voorzien. .f dat gebeurt hangt af of dit
past bij het gebod Gods, de ‘Heer’ der ziel. De geest,
verbonden aan de ziel speelt daarbij de bepalende rol. Zoals
genoemd heeft de geest de leiding over het zielenleven, dus
alle impulsen en prikkelingen in goede .f in slechte zin
worden door hem getoetst. De geest is de drager van de
wetmatigheid waarmee gemeten wordt bij de keuzes die de
ziel neemt. Het gevolg daarvan is, dat uit de keuzes die een
mens neemt en de daden die hij doet, opgemaakt kan
worden welke wetten zijn geest erop nahoudt, die deze
handelingen fiatteert. Onze Heer Jezus sprak:’ Zo brengt
iedere goede boom goede vruchten voort, maar de slechte
boom brengt slechte vruchten voort.’ (Matt.7:17)
Zo zien we dat van zichzelf geen enkele ziel slecht is, doch
verbonden met boze geesten, wordt dit machtige orgaan
ingezet voor de meest verdorven praktijken. Indien een
mens de controle over zichzelf verlies en demonen over zijn
zielenleven kunnen gaan regeren, zullen zij h.n wetten in
zijn binnenste leggen. De onreine demonen besmeuren door
de zonde de ziel van de mens en voert deze persoon in
geestelijke duisternis en uiteindelijk naar de afgrond, indien
hij of zij niet wordt verlost door het Evangelie van Jezus
Christus.
Onder leiding van de duivel de overste der ‘lucht’, kan de
mens nooit tot zijn eigenlijke en oorspronkelijke doel
komen, waartoe hij door God was geschapen. Zijn
bestemming en identiteit als beelddrager van de Heilige
Jahweh, kan de geestelijk dode mens niet waarmaken. Jezus
sprak: ‘Want wat baat het een mens, als hij de gehele
wereld wint, maar zichzelf verliest of zelf schade lijdt?’
(Luc.9:25)
Als een ingenieur zijn ziel en talenten inzet om
landbouwmachines te fabriceren, waarmee mensen in
ontwikkelingslanden geholpen kunnen worden, dient dit
een heel ander doel, dan wanneer dezelfde geleerde zijn
inventiviteit aanwendt om aan wapens te verdienen. De
veelzijdigheid van de ziel van deze mens is dezelfde, alleen
de keuzes die genomen worden en de wetten waarnaar hij
of zij handelt, zijn tegenovergesteld.
Door de werkingen der boze geesten bevonden wij ons
allemaal in de geestelijke dood. Ergens in de uitgestrektheid
van onze ziel heeft de boze ooit kans gezien om contact met
ons te leggen. De Bijbel zegt dat iedereen heeft gezondigd
en vandaar de heerlijkheid Gods moet missen. (Rom.3:23)
Hoe meer een individu zondigt, hoe meer innerlijke
duisternis.
Wanneer wij erkennen dat wij als zondaar voor de eeuwige
voornemens en het plan van God onnut zijn, komen wij tot
erkentenis van de waarheid. Behoeftig en ellendig als we
zijn en doordat wij er door de Heilige Geest van overtuigt
worden dat wij allen ons door de zonde in de dood
bevinden, moeten wij tot Jezus Christus roepen en Hem om
hulp bidden. (Matt.11:28) Hij zal ieder die in gebed tot
Hem komt helpen, en dit mens mag zeker weten dat zijn
zonden zijn vergeven en Hij hem van de boze geesten
bevrijdt. Deze hulp van boven, deze hulp van Christus die
zo de zonden van de individuele mens kan afwassen, maakt
hem of haar tot een onschuldige en rechtvaardige. De
ontzondigde mens is voortaan een rechtvaardige, omdat hij
of zij eigendom van de Rechtvaardige is geworden. De
Heilige Geest van Christus die tot deze mens zal komen, zal
nu op Zijn beurt Zijn wetten in het binnenste van deze
nieuwe schepping leggen. (Opb.3:20) De rechtvaardige
leeft door geloof in de goede God Die dit alles uit genade
aan een mens geeft. (Rom.1:17)
Van deze nieuwe mens kan gezegd worden wat David
schreef in Psalm 37:31; ‘de wet van zijn God is in zijn hart,
zijn schreden wankelen niet.’ Bij zijn uitleggingen over het
functioneren van een mens die wederom is geboren, haalt
de apostel de woorden van God aan; ‘Dit is het verbond,
waarmede Ik Mij aan hen verbinden zal na die dagen, zegt
de Here: Ik zal mijn wetten in hun harten leggen, en die ook
in hun verstand schrijven,..’ (Hebr.10:16)
We zien hier dus de grote tegengesteldheid aangaande de
leiding over de ziel van een mens. Was daar bij de oude
zondaar nog de overheersing der boze geesten, die de dood
over hem brachten door hem tot zonde aan te zetten, door
de wedergeboorte in Christus krijgt nu de Heilige Geest de
controle over deze mens, die als nieuwe schepping (één met
Christus) onder leiding komt van God, en Die schrijft Zijn
wetmatigheid in de innerlijke mens.
De ziel met al zijn begaafdheden, verlangens, creativiteit en
verstand is voortaan onderworpen aan zijn nieuwe Heer en
Meester; aan God door Jezus Christus, en wordt
ingeschakeld om Diens werken uit te voeren. De oude
zondaar is verdwenen en wordt door God niet meer in
herinnering gebracht, maar de nieuw rechtvaardige onder
leiding van Christus leeft voortaan. Daarmee heft God de
oude, aan dood onderhevige onnutte (eerste) mens op, om
in Christus’ lichaam de nieuwe (tweede) mens te laten
gelden. (vers 9)
Hoewel ze één geheel zijn is het hoofd in de allegorie
‘verheven’ boven het lichaam. Zo is ook de Geest het
‘Hoofd’ of bevelhebber die de ziel leidt en als zodanig
‘boven’ haar verheven, want Zijn wet of ‘de wet van de
Geest’ geldt. (Rom.8:2) De bekering tot Christus en de
geestelijke wedergeboorte die daarop volgt, geeft de grote
ommekeer aan in het leven van een mens. Eerst werd hij
nog geďnspireerd door de duivel, die hem hebzuchtig en
zelfgericht maakte, liefdeloos zonder liefde voor God of de
naaste; de duivelse maat was in zijn hart. Het Evangelie van
Christus Jezus, de woorden die Hij spreekt, wekken een
mens geestelijk tot leven. Jezus zegt: ‘Voorwaar, voorwaar,
Ik zeg u, de ure komt en is nu, dat de doden naar de stem
van de Zoon van God zullen horen, en die haar horen,
zullen leven.’ (Joh.5:25) Eenmaal voortgebracht door de
woorden van eeuwig Leven, geeft een mens daar
getuigenis van door zijn waterdoop en ontvangt de
bekeerling de Geest van Christus, Die hem in staat stelt het
nieuwe, reine en heilige leven te leiden; hij is wedergeboren
ofwel geestelijk tot leven gekomen. (Joh.6:68)
Ten opzichte van zijn oude persoon en karakter is er een
geheel nieuwe geestelijke situatie ontstaan. De Geest van
Christus is nu Heer over zijn ziel geworden, omdat deze
mens tot één geheel met Christus Jezus werd verbonden.
Hierdoor (door de wedergeboorte) zijn dus ook de wetten
van Christus van toepassing op het zielenleven van deze
schepping Gods; hij leeft uit de kracht Gods, niet meer voor
eigen belang maar voor Hem en de naaste. Gods liefde en
wetmatigheid is van nu aan in zijn binnenste: hij leeft in het
Koninkrijk van God. Door van Christus te zijn geworden,
behoort dit gelukkige mens daarmee voortaan ook tot de
‘Geliefde’ van God. (Matt.3:17)
De ziel met al zijn schoonheid en begaafdheden kan, door
de wedergeboorte in dienst van Jahweh God gekomen,
voortaan door Hem gebruikt worden om Zijn wil en wet te
volgen en te handhaven. Dit was ook de oorspronkelijke
wens van de Vader, om Zich volledig uit te kunnen drukken
in Zijn maaksel de mens. De ziel van God is volmaakt één
met Hem en wordt volkomen door de Almachtige ingezet
bij Zijn niet te evenaren creativiteit en scheppingskracht.
De autonome superieure Geest van God beschikt hiermee
van eeuwigheid over kwaliteiten die hun gelijke niet
kennen. De Eeuwig en heilige Levensgeest en Vader van
Jezus Christus is daarmee rijker, krachtiger en heiliger dan
alle ander geesten. Hij is de Allerhoogste God!
De Heilige Geest krijgt door Christus de beschikking over
onze ziel en ook over ons lichaam.
‘Of weet gij niet, dat uw lichaam een tempel is van de
Heilige Geest, die in u woont, die gij van God ontvangen
hebt, en dat gij niet van uzelf zijt?’ (1Kor.6:19) Stelt u zich
eens voor wat dat betekent. Jezus zei dat wie Hem volgen
de dingen die Hij deed ook zullen doen en zelfs nog grotere
dan die! (Joh.14:12) De unieke persoonlijkheid van ieder
mens, die bewaard en gereflecteerd wordt in zijn
schitterende ziel, krijgt zijn ultieme bestemming en vrijheid
nu die is geplaatst onder de leiding van zijn verheven
Herder en Leidsman Jezus Christus. Zoals de ziel van God
volkomen één is en deelt in Zijn verheven heerlijkheid,
blijft Hij van eeuwigheid bij Zijn creatief voornemen en
wordt ook ons zielenleven volkomen door Christus geleid
en één met God. Ten dage dat ook ons zielenleven zal
blijken ‘volkomen door Hem bewaard te zijn gebleven’,
zijn wij Jezus Christus gelijk geworden. (Matt.5:48) De ziel
van een mens die ooit in de ‘modder’ en het ‘slijk der aarde’
lag vanwege het misbruik, de overheersing en de willekeur
der onreine boze geesten, krijgt in Christus de reiniging
waar ze zo naar snakt.
Als de profeet Natan tot koning David komt om hem zijn
overtredingen indachtig te maken, schrijft die daarop een
boetpsalm waarin hij zijn God om vergeving vraagt. David
geeft aan dat de ongerechtigheid die hij pleegde hem ‘vuil’
en onrein hadden gemaakt, vandaar zijn volgende bede: ‘o
God,.. was mij geheel van mijn ongerechtigheid, reinig mij
van mijn zonde…Ontzondig mij met hysop, dan ben ik rein,
was mij, dan ben ik witter dan sneeuw;’ (Ps.51:3,4 en 9)
Bij de doop door Christus komt een mens onder de zachte
en lieflijke leiding van de Heilige Geest. Deze leiding
gelijkt op een kind dat aan de hand van zijn Vader een
wandeling gaat ondernemen. Door Christus is dit mens in
de Geest verbonden met God, door wie nu ook zijn ziel
leiding ondervindt. De liefde en de vreugde van de Vader
komen zo via Zijn ‘Hand’ bij het kind, waardoor Zijn
leiding en Zijn wil door het kind helemaal niet als een
zware last wordt ervaren, integendeel; Hij houdt van de
Vader en het is Zijn lust te doen wat Zijn Vader ook doet.
(Ps.40:9) Door de ‘maat’ en het ‘stuur’ van Zijn Vader
wordt hij beschermt, blijft hij op de goede weg en komt hij
ondanks tal van situaties behouden aan. Nu begrijpen we
ook wat de Meester bedoelde toen Hij zei: ‘Voorwaar, Ik
zeg u: Wie het Koninkrijk Gods niet ontvangt als een kind,
zal het voorzeker niet binnengaan.’ (Mar.10:15)
De ‘levenswandeling’ aan de Hand van God, nu wij door
Zijn Geest van Christus zijn, zorgt er voor dat wij ons aan
Zijn verheven wet en wil kunnen houden. De maatstaf bij
onze handel en wandel in het dagelijkse leven wordt in ons
voortdurend getoetst of die overeenkomen met Zijn wil,
immers Hem die wij ernstig aanroepen als “Heer en God”
Jezus Christus, Zijn eigendom zijn wij. Mensen die door de
genade van God in de doop één geworden zijn met de
Heilig Geest, houden van de Vader en van hun naasten
zodat zij die nimmer zullen benadelen of schaden. De wet
van God die Hij door Zijn Geest aan onze ziel oplegt, gaat
verder en is meer dan de wet die ooit Mozes op de berg
Sinai door Zijn engelen ontving. Deze oude wet was dan
ook niet voor kinderen die de wil van hun Vader zoeken te
doen, maar voor een onwillig en ongehoorzaam volk.
(1Tim.1:9) Wie door de Heilige Geest de wet van de Vader
in zijn binnenste heeft geschreven gekregen, zal de oude
wet van Mozes vanzelfsprekend op alle geboden
onderhouden. Wie immers bereid is geworden zelfs voor
zijn vijanden te bidden en voor degenen die hem vervolgen,
heeft geen tijd of mogelijkheid meer die kwaad te doen.
(Matt.5:44)
Zo zal ook de heilige man, omdat Jahweh God in wiens
dienst hij staat heilig is, zijn vrouw niet met een andere
vrouw bedriegen. De leiding ‘uit de Hoge’ maakt hem de
situaties duidelijk waar en in welk gezelschap van bepaalde
dames overspel kan voortkomen. Hij onderkent op tijd dat
hij zijn denken daaraan niet moet overgeven en hij ontvangt
op gebed – in nieuwe tongen – tevens Gods Kracht, om aan
dergelijke verleiding weerstand te bieden. Indien de
verleiding langs deze weg niet tot het innerlijk van de
oprechte man kan doordringen, zal hij zeker niet ‘de
vreemde vrouw begeren’ en er overspel mee plegen. Het
kwaad wordt daardoor gestopt v..r het in ‘het hart’ van de
mens kan binnendringen. Wie een vrouw niet aanziet om
haar te begeren, zal er ook nooit toe komen seks met haar te
hebben. Zonder begeerte ook geen zonde. (Jac.1:14) Bij het
Joodse volk moesten de wetten van Mozes er enkel voor
zorgen dat zij zich ‘aan de regels’ hielden en de begeerten,
die zij heimelijk nog steeds hadden, niet ten uitvoer
kwamen. Ook al overtraden zij Gods wet doordat hun
begeerten slecht waren, voor hen was het pas strafbaar als
zij op heterdaad als echtbreker werden betrapt.
Dit was ook de Joodse commotie toen een vrouw bij het
plegen van overspel werd betrapt. Pas als de innerlijke
onreinheid in de openheid werd gebracht, was de mens
strafbaar. (Joh.8:3-5) Dat de tweede persoon, de overspelige
man, eveneens strafbaar was, werd door de hypocriete
Joden overigens buiten beschouwing gelaten. Alleen de
vrouw moest het ontgelden.
De begeerten die de ziel heeft worden door Christus allen
gesteld onder de maat en de controle van God, waardoor de
mens voor de zonde wordt afgesloten. Er vindt in de
hemelse gewesten een verzegeling plaats met de Heilige
Geest. (Opb.7:3) De ziel beschikt over het vermogen
indrukken, signalen en prikkels vanuit de zichtbare wereld,
in de hemelse sfeer om te zetten en aan het innerlijke aan te
bieden. Wanneer een mens de Heilige Geest mist, maar het
enkel moet doen met wat hij als mens bij zijn geboorte
meekreeg, zullen de demonen hoe dan ook de controle
krijgen. De ziel van zo’n mens, zijn ‘ik’, die de
ongerechtigheid (der boze geesten) waaraan hij deel heeft
gekregen, door middel van zijn lichaam gaat openbaren,
krijgt dan de status van zondaar. Dit mens, wiens ziel en
lichaam op deze manier in dienst van de boze zijn
gekomen, heeft een zielenleven of innerlijk waar Gods wil
niet telt en waar Zijn geboden niet worden onderhouden.
De boze geesten, verbonden aan de ziel van de zondaar die
ook zijn lichaam voor het kwaad ter beschikking stelt, gaan
samen op maar nu op weg naar de ondergang, zolang hij of
zij zich niet tot God bekeert. Bij ongeremde zondaars wordt
het lichaam zelfs vol overgave ingezet, om de innerlijke
onreinheid der ziel zo uitbundig mogelijk te prikkelen. De
verdorvenheid van deze mensen kan ook worden aangeduid
met de term “vlees”, vanwege het lage niveau van hun
begeerten waar demonen vrij op kunnen inspelen. (Gen.6:3)
Om die reden rekent God de zonde van afgoderij ook zo
ernstig aan, omdat daarmee de mens zich vrijwillig
onderwerpt aan een ‘heer’ of ‘Ba.l’ (‘meester’) van het rijk
der duisternis. (2Kon.10) Wie zich door afgoderij onder
leiding van een boze geest plaats en zich in dienst stelt van
de duisternis, kan onmogelijk Gods wil doen want niemand
kan twee heren dienen.
Zo’n mens kiest daarmee de kant van Gods vijanden; de
zondemachten onder leiding van satan.
Om de gedachten aangaande de menselijke geest en ziel
nog verder te verduidelijken, kan deze ook vergeleken
worden met een antenne, zoals die aan een tv-apparaat is
verbonden en nodig is om televisie te kunnen kijken. Van al
datgene dat de innerlijke mens uit de ‘ether’ opvangt, kan
zij zo een voorstelling of zichtbaar ‘beeld’ weergeven.
Behalve de informatieve en educatieve programma’s die er
op televisie komen, zijn er ook de gedemoniseerde
muziekzenders, de pornozenders en de horrorfilms. Bij de
programma’s die een mens voortdurend op tv. wenst te
bekijken, kunnen wij ons een beeld vormen waar hij of zij
in de onzienlijke wereld mee bezig is. En aan de hand van
het ‘beeld’ dat een persoon met zijn dagelijks handelen van
zichzelf geeft, kan opgemaakt worden op welke
‘inspirators’ zijn geestelijke ‘antenne’ staat afgestemd.
Nu geven wij wederom een zinnebeeldige voorstelling van
de werking van de ziel, maar nu stellen wij haar voor als de
kinderen uit een groot gezin. Het lichaam is daarbij de
woning of het verblijf van het gezin. De ouders die de eigen
huisregels opstellen en er op toezien dat de kinderen zich
daaraan houden, hebben de leiding en symboliseren
daarmee de leiding van de Geest, met haar maatstaf of wet
waaraan de kinderen (ziel) verbonden zijn. De ouders
(geest) bepalen aanvankelijk het karakter van het gezin als
geheel. Het is elke dag een komen en gaan van jonge
mensen; de oudsten bezoeken het voortgezet of hoger
onderwijs, de tieners zitten op de basisschool en de
kleinsten zijn nog bij hun moeder thuis. Moeder heeft haar
handen vol aan haar huishoudelijke taken, met name de
verzorging en opvoeding van haar kroost. Alle indrukken,
alle nieuwe dingen en alle belevenissen van alle kinderen
bij elkaar, die ze dagelijks mee terug naar huis nemen om er
‘thuis’ over te praten; zo werkt het zielenleven. Alles dient
zich aan, alles wordt waargenomen en er zijn zoveel dingen
die dag onderzocht en beleefd, die allemaal tijdens het
avondmaal, van ieder kind door vader en moeder worden
doorgenomen en besproken.
Wat er die dag allemaal door de kinderen en jong
volwassenen is verzameld, de goede en de slechte dingen,
wordt door hen mee naar huis genomen om ze daar nog
eens door te nemen. Er wordt door de ouders heel liefdevol,
heel wijs maar heel beslist aan hun kleinen duidelijk
gemaakt wat nuttig is om mee verder te gaan en zich in te
verdiepen, en dat wordt door hen gesteund. De slechte en
onverenigbare zaken voor het gezin worden ontmaskerd en
‘op tafel’ in het bijzijn van de rest bekritiseerd. Op deze
manier wordt er aan de kinderen (de ziel) leiding gegeven
door de ouders (de geest), waardoor hun gezin op het recht
spoor blijft en wordt de kinderen ‘normen en waarden’
bijgebracht.
De ziel is daarom zo actief, omdat zij bij uitstek het orgaan
is waarmee en waardoor de ontwikkeling van zowel het
kind als het gezin als geheel vooruitgang kan boeken. De
ziel is wezenseigen en wordt daarom steeds betrokken en
ingeschakeld bij het behalen van voordeel voor het ego of
‘ik’. Personen die Christus missen, diens ziel richt zich
jammer genoeg niet op het heil van de naaste omdat ze de
gevende liefde Gods (agape) daartoe niet bezitten. Veelal is
het met deze ongeestelijke mensen zo gesteld dat hun ziel
zich enkel en alleen richt op hun eigen gewin, waardoor zij
als egoďsten worden getypeerd. Helaas is er zoveel
duisternis in hun ziel dat zij alleen nog maar zichzelf
zoeken, het tegenovergestelde van wat de Heer Jezus doet.
Ongehoorzame en boosaardige mensen, dus in wie de Vader
niet door Zijn Zoon de kostelijke ’wet’ der liefde heeft
kunnen aanbrengen, diens ziel rest enkel nog de
willekeurige prikkelingen der onreine geesten. ‘De
eenzelvige zoekt zijn eigen begeerte, hij barst los tegen al
wat verstandig is.’ (Spr.18:1)
Zonder de Geest van God zijn deze mensen een speelbal
van de zondemachten en hoewel ze dan misschien materieel
veel bezitten, naar hun inwendige mens zijn zij de arme en
de ellendige.
Wie zichzelf zoekt en niet om God of zijn naaste geeft,
geeft blijk over weinig innerlijke rijkdom te beschikken
want, ‘Niet één doet zo, die voldoende geest bezit..’
(Mal.2:15a) Voor hun oorspronkelijke en hoge hemelse
bestemming zijn deze mensen helaas blind. Die hemelse
heerlijkheid, deze hoogte door heiligheid, de liefde en de
reinheid, daarvan wil de Vader dat ieder mens er kennis van
krijgt. Om die reden gaf de Meester de opdracht Zijn
Evangelie in de hele wereld te verkondigen, opdat wie
gelooft en zich laat dopen behouden wordt. Het Koninkrijk
van God komt daarmee heel dichtbij en de mens die dankzij
de Heer Jezus een nieuwe scheppingen wordt, verzamelt er
zijn eeuwige rijkdom. (Matt.6:20)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *