Donderdagavond en de nacht van donderdag op vrijdag

Het eerste gedeelte
(Dag 1: donderdagavond en de nacht van donderdag op
vrijdag)
Als de Heer Jezus in Getsemane gevangen wordt genomen,
omdat vanuit de hemelse gewesten de doodsmachten met
toestemming van God toegang tot Hem krijgen, voelt Hij in
lichaam en ziel de pijn en de angst vanwege de zonde- en
ziektemachten die Hem nu in hun macht hebben gekregen.
Deze verachtelijke schepsels hadden voor het eerst toegang
tot Jezus’ leven en konden hun klimaat en hun duisternis op
Hem leggen, iets wat de Heer Jezus nog nooit had gekend
omdat Hij nimmer had gezondigd. Als de boze geesten op
Jezus kunnen aanvallen, voltrekt zich synchroon daaraan
Zijn gevangenneming, de lichamelijke pijniging vanwege
de slaag der Joden en de geseling door de soldaten van
Pilatus.
Tijdens deze persoonsgerichte strafexpeditie, waarin Jezus
zeer zwaar werd mishandeld, kon niet meer worden
opgemaakt dat het hier om Zijne koninklijke Hoogheid Zelf
ging, z. was Hij toegetakeld. (Joh.19:5) Om aan te geven in
wat voor ontredderde staat Jezus verkeerde, werd de
gegeselde en vernederde Koning met de woorden ‘Zie de
mens’ door Pilatus aan Zijn volksgenoten getoond. De
Vader had Zijn Zoon Jezus in de macht van de boze geesten
gegeven, vergelijkbaar met wat Hij ooit met Job deed. (Job
2:7) De zielensmart die in de Hof was begonnen vanwege
de ‘last’ der demonen, openbaart zich direct daarna in
hevige lichamelijke pijn, die Hem door zondaren werd
toegebracht. Dit keer echter mocht satan tot het uiterste
gaan en ook het leven van de Rechtvaardige nemen, indien
hij dacht Hem daarmee definitief uit te kunnen schakelen.
Bij Zijn gevangenneming begint voor Jezus het ondergaan
van de dood. Jesaja schreef dat Hij Zijn leven vanwege de
zonden van vele overtreders heeft uitgegoten in de dood.
(Jes.53:12)
Om aanschouwelijk te maken van wat er gedurende de tijd
die Jezus aan het kruis hangt in de ‘lucht’ gebeurt,
verdwijnt tijdens de climax vanaf het 6e tot het 9e uur zelfs
het daglicht en komt er duisternis op aarde. Toen Jezus
vanwege de folteringen lichamelijk helemaal was gesloopt
en zo verzwakt dat Hij door uitputting ging sterven, had Hij
zichzelf helemaal ontledigd. (Fil.2:7) Geen enkele pretentie
of inbreng restte Hem meer, Hij was door Zijn geloof
volkomen aangewezen op verlossing door de Kracht van
God. Wat Jezus echter bij het afleggen van de heerlijkheid
Gods was gebleven, was Zijn eigen natuur. Hij was nog
steeds de Zoon van God, volkomen rechtvaardig. Omwille
van ons had Hij de Kracht Gods afgelegd en Zichzelf
ontledigd, nu bleef in Hem het ‘zwakke van God’ over; de
mens uit God geboren. Dit zwakke van God was ook toen
sterker dan het sterkste van alle andere mensen. (1Kor.1:25)
Zijn zwakheid wordt door Zijn hemelse Vader direct met
Kracht beantwoord, want de Allerhoogste komt Zijn Zoon
Jezus te hulp en geeft Hem Zijn kostbare leven terug. Het
Koninklijke gebod dat de Heer Jezus ons in de Evangeliën
meedeelde ‘Gij zult de Here, uw God, liefhebben met
geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw
verstand’ ‘en uw naaste liefhebben als uzelf.’, daarvan gaf
Hijzelf het ultieme voorbeeld, door deze geboden ondanks
alle pijnigingen beiden te vervullen. (Matt.22:37-39)
De vele wreedheden die op Hem als ‘Geplaagde’
neerkwamen konden bij Jezus niet bewerken dat Hij de
liefde voor Zijn Vader ging verzaken. Deze Zoon van God
hield in tegenstelling tot Adam wél de geboden van Zijn
Vader en kwam niet als ongehoorzame, maar als liefdevolle
en gehoorzame Zoon in de dood. Door rechtvaardig te
blijven toonde Jezus inderdaad dat Hij macht had om Zijn
leven af te leggen en het vervolgens weer op te nemen.
Ondanks alle smaad en mishandeling bleef Jezus geloven
dat Zijn Vader voor uitredding zou zorgdragen, Hij immers
kende Zijn Vader en hield aan Zijn belofte vast. Jezus is
daarmee het Grote Licht dat schijnt in de duisternis en in
het rijk van de dood en de duisternis heeft, ondanks deze
felle pogingen Hem niet vast kunnen houden. (Joh.1:5).
Door Jezus’ getuigen van de Waardheid, Zijn prediking en
Zijn werken, bescheen Hij allen in Israël die geestelijk in de
dood gezeten waren (Luc.1:79). Bij Zijn sterven op Golgota
ging Het Licht ook de hades binnen, waar Hij als eerste en
tevens laatste levende verbleef, om er Zijn Evangelie van
de overwinning over zonde en satan te brengen. God betrad
de hades om er Zijn eigendom op te komen eisen; de
goedwillende zielen die er tegen hun wil moesten
verblijven. Het dodenrijk knapte bij deze onderneming van
Jezus letterlijk uit zijn voegen, de dorpels moesten worden
opgerekt anders kon de Grote Koning met Zijn
engelenleger er niet naar binnen! (Ps.24:7)
De Heer Jezus krijgt door Zijn sterven de mogelijkheid om
ook in het dodenrijk Zijn overwinning te proclameren.
Zoals Paulus vermeldt, voerde Jezus vanuit de hades
krijgsgevangen mede naar de hoge, deze zielen hadden
geprobeerd zich tijdens hun leven zo goed mogelijk aan de
wet te houden en zochten in hun bestaan Gods wil te doen.
(Ef.4:8) Nu werden zij door Hem in vrijheid gesteld en
mochten met Jezus mee, richting het paradijs. Dit gold
eveneens voor de ex-crimineel aan het kruis, want ook hij
geloofde dat Heer Jezus Koning was. (Luc.23:42)
Zijn geloof en bede aan Jezus rechtvaardigde deze man op
de valreep voor zijn sterven en zodoende kon de Heer ook
hem meenemen uit de dood.
In tijdsbestek uitgerekend is dit vanaf donderdagavond,
nadat de Heer Jezus met Zijn discipelen het laatste
avondmaal heeft gebruikt en Hij samen met hen bij de
Olijfberg is aangekomen. In deze tuin, die aan de voet van
de Olijfberg is gelegen, nadert Jezus de pijn des doods.
Deze pijn is daarom zo bijzonder hevig, omdat Hij de
zondelast van de hele mensheid op Zich heeft genomen,
terwijl de straf die zonder uitzondering op al deze zonden
moet volgen, nu aan Hem met de dood wordt uitbetaald.
(Luc.22:44) Ik merk op dat het zinloos is om een ander
willekeurig mens, die éénmaal de boze heeft gehoorzaamd,
als losprijs aan te bieden om gekruisigd te worden. In een
zondaar zit geen waarde om voor een dergelijk hoge schuld
te betalen, hoogstens voor zijn eigen schuld en daar betaalt
hij met zijn leven voor.
Vervolgens de nacht van donderdag op vrijdag, waarin Hij
geslagen, gespuugd en bespot wordt. In deze eerste avond
en nacht verblijft de Heer Jezus in het klimaat van de dood.
Zoals de profeet Jona in de parabel door een grote vis werd
opgeslokt en het daglicht moest ontberen, zo werd onze
Heer Jezus door de duisternis der demonen opgeslokt. (Jona
1:17) Dan vrijdag de hele dag tot het negende uur. Vrijdag
is de dag dat de Heer aan het kruis werd geslagen en
daaraan stierf. Omdat aan het eind van deze dag de Joodse
sabbat begint, moest vanwege reinigingsvoorschriften Jezus
v..r zonsondergang van het kruis worden gehaald en
begraven. Gedurende deze hele periode heeft de Kracht van
de Allerhoogste Zich teruggetrokken, staan de scharen
heilige engelen Jezus voor het éérst in Zijn leven niet meer
ten dienste en zal Hem Zijn vleselijke lichaam met geweld
worden afgenomen. Dit alles was Jezus vooraf bekend en
desondanks wilde Hij dat de wil van Zijn Vader zou
prevaleren boven Zijn persoonlijk welzijn. (Joh.12:27-33)
Met het ondergaan van de last de dood, vanaf Getsemane
tot en met het kruis, komt Jezus in Zijn stervensfase. Dit
was er een van geestelijke benauwenis en angst, van
bespotting en vernedering, van lichamelijke pijniging en
tenslotte Zijn sterven. De Vader had Hem overgegeven in
de handen van Zijn vijanden, zowel in de hemel als op
aarde. Jezus getuigt daarvan tegenover de overpriesters en
hoofdlieden van de Joodse tempel, met de woorden:
‘Terwijl Ik dagelijks bij u was in de tempel, hebt gij geen
hand naar Mij uitgestoken. Maar dit is uw ure en de macht
der duisternis.’ (Luc.22:53) Uit liefde voor Zijn Vader en uit
liefde voor hen die Hem volgen – en nog gaan volgen – zag
Hij niet op de smart van Zijn eigen dood, maar blikte Hij
vooruit op de vreugde van een grote schare verloste
mensen, die door Zijn offer eveneens met de Heilige Geest
gedoopt konden worden. (Jes.53:10b)
Als Jezus sterft, verlaat Hij de pijn en de ellende van het
klimaat van de dood en treedt Hij als Gods Koning het rijk
van de dood binnen, om ook deze machthebber te
onttronen. Jezus nam dus niet slechts de sleutel van de
dood in ontvangst, vanwege het feit dat Hij tijdens Zijn
martelingen niet éénmaal zondigde, maar rechtvaardig de
wil van God bleef doen. Nu Hij in de hemelse gewesten het
rijk van de dood of hades betreedt, neemt Hij ook daarvan
de sleutel in bezit. Jezus kwam dan ook niet als een
overweldigde, een gevangene of zondeslaaf het domein van
Apollyon binnen, maar als de grote Koning die Hij is met al
Zijn superioriteit en macht. Eenmaal in de hades vordert Hij
de zielen van de rechtvaardigen, die ooit in de oude tijd
waren gestorven. De verderver (Apollyon) die nimmer een
gevangene had laten gaan (dood was dood), werd nu door
Jezus bevolen zijn kerkers open te stellen. Het is voor het
eerst dat een Levende, dus iemand zonder zonde in het
dodenrijk verschijnt.
Deze necropolis was hier logischerwijze ook niet op
berekend, vandaar dat haar bewakers vragen ‘Wie is toch de
Koning der ere? Waarop Gods engelenlegers antwoorden:
‘Jahweh, sterk en geweldig, Jahweh, geweldig in de strijd.’
(Ps.24:8) Daarna zal er ook geen rechtvaardig mens meer in
dit dodenrijk terechtkomen, want wie in Jezus gelooft is
waarlijk gerechtvaardigd en onze Heer zegt Zelf dat wie in
Hem gelooft zal leven ook al is hij gestorven, dus
gescheiden van zijn lichaam. (Joh.11:25) Jezus Christus kan
als Overwinnaar terecht zeggen dat Hij ook deze beide
sleutels heeft, van de dooad en van het dodenrijk. (Opb.1:18)
Let wel: vanaf het begin van de eerste lijdensdag op
donderdagavond in de Hof van Getsemane, aanhoudend tot
aan vrijdag het negende uur als Jezus sterft aan het kruis,
lukt het satan in deze periode van agressie en pijniging niet
één keer om Jezus aan te zetten iets tegen de wil van Zijn
Vader te doen. Hiervan getuigen tal van Jezus’ reacties,
bijvoorbeeld als Hij in de Hof door een man uit Zijn eigen
kring wordt verraden, dan raakt Hij niet gefrustreerd of
wraakzuchtig maar noemt deze verrader ‘vriend’. (Matt.
26:50) Zo ook als Hij vervolgens door gewapende mannen
gevangen wordt genomen en het daarbij tot een
schermutseling komt, raakt Hij het afgeslagen oor van
Malchus, één van de agressors aan en geneest hem. (Luc.
22:51) Hij weet dat als Hij Zijn Vader daarom zou vragen,
Deze Hem twaalf legioenen engelen ter beschikking zal
stellen, doch Hij bidt daar niet om maar laat de soldaten
begaan. Ook als Jezus daarna aan de hogepriester Kajafas
en de Joodse schriftgeleerden wordt voorgeleid, door wie
Hij in het gezicht wordt gespuwd en met vuisten wordt
geslagen, slaat Hij niet terug en dreigt Hij hen evenmin
maar laat het daarbij en geeft Hij alles over aan God, van
wie Hij weet dat Die juist zal oordelen. (1Petr.2:23) Deze
loochening en miskenning van Jezus’ goedheid en dat Hij
van geboorte Gods Zoon is, gebeurde door de Joodse elite
in de avond en nacht van donderdag op vrijdag.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *