De tuin

De tuin
De hof van Eden is de plaats die de Schepper voor het
mensenpaar heeft gecreëerd om hen van de aarde te
verhogen en hun hogere geestelijke ontwikkeling mogelijk
te maken. Hier in deze ‘tuin’ zal Jahweh een vervolg maken
met het verder tot stand brengen van de mens als geestelijk
wezen, zoals Hem die van den beginne voor ogen stond. In
het paradijs kunnen de mens en zijn vrouw, door van de
daar aanwezige vruchten te eten ‘verstandig worden’ en
opklimmen in de hemel. Zij zullen zo vanuit hun
natuurlijke statuur worden omgevormd tot hemelse wezens,
uiteindelijk aan het niveau van God gelijk.
Boven een alinea in hoofdstuk 2 van Genesis, staat de
opschrift ‘Het paradijs’. Het oude Perzische woord voor
paradijs, waar de parken van koningen en vorsten mee
beschreven werden is parid.za, in het Grieks vertaald met
peri (eromheen) teichos (muur). Het vroeg Indisch kent het
woord paradesa, para betekent over, voorbij en desa duidt
op land. Dus verder dan of voorbij het ‘land’ (op ‘hoger
grond’), afgeschermd en omgeven door een omheining of
‘muur’. Z.’n tuin plantte Jahweh in Eden. Een mooie
afgeschermde tuin die Adam volgens de enig juiste wijze
betrad, omdat God Zelf hem daar naar binnen had gebracht.
(Later lezen we nog dat Jezus spreekt over lieden die er
illegaal zijn binnengekomen. (Matt.22:12-13)
Voor Adam gold dat hij zijn oude leefgebied of ‘land’
beperkt tot de aardbodem had verlaten, om in deze nieuwe
‘aera’ in deze nieuwe ‘sfeer’ voorbij zijn oude
leefomgeving te gaan functioneren. Hij kreeg de opdracht
van God om die te bewerken en te bewaren. (Gen.2:15)
Adam moest zich gaan ontwikkelen en bekwamen in de
geestelijke wereld, en daar leren onderscheid te maken
tussen wat goed is of slecht.
De bestemming van Adam die de Schepper voor ogen stond
ging veel verder dan die der dieren, die dus nog wel enkel
aan de aardbodem verbonden zijn. Deze zoon Gods moest
zijn positie als heerser en koning der schepping nu gaan
innemen in de wereld der geesten. God wilde dat Zijn zoon
Adam alle macht en autoriteit met Hem zou gaan delen, Hij
wilde dat Adam als gezagdrager bij Hem op Zijn Troon zou
plaatsnemen. Langs deze weg zou Adam en de overige
mensen boven heel de engelenwereld uitstijgen, waardoor
deze schepsels Adam op Gods niveau zouden zien om hem
daar gelijke dienstbaarheid te bewijzen zoals zij die Jahweh
bewijzen. Deze geestelijke ontwikkeling en bekwaming kon
Adam alleen opdoen in zijn nieuwe leefgebied, de hof van
Eden. Bij het woordje ‘paradijs’ denken de meeste mensen
aan een zorgeloze en volmaakte situatie bij God in de
hemel. Dit gold echter niet voor Adam, die na geschapen te
zijn naar de hof van Eden was ‘verhuist’. Zo u weet stond
daar toen niet alleen de boom des levens maar er stond ook
nog een andere ‘boom’, dit was de boom der kennis van
goed en kwaad. (Gen.2:9)
Deze ‘kennisboom’ is het type van de duivel, die het goede
in Gods Koninkrijk had gekend toen hij nog Lucifer heette,
maar de liefde jegens God verwierp en tot rebellie overging
waardoor hij in zichzelf duisternis voortbracht. (Ez.28:15)
Een oude benaming voor de duivel is Mephistopheles, soms
afgekort tot Mephisto. De naam zou afgeleid kunnen zijn
van het Grieks ‘mč-photo-philos’, het licht niet
beminnende. Ook is het mogelijk dat ze afkomstig is van
het Hebreeuwse ‘mephir’, verderver en ‘tophel’ dat
betekent leugenaar. Dus ‘mephir-tophel’, degene die door
middel van de leugen het verderf veroorzaakt.
Binnen de ‘muur’ van Gods hemelse Koninkrijk bevond
zich dus een rebel, wiens wezen was veranderd en hij nu
dus ook een andere naam moest ontvangen, waarmee hij
beter aangeduid kon worden. De engel veranderde van
lichtdrager Lucifer, in tegenstander satan.
De naam satan komt uit het Hebreeuws en is synoniem met
‘boze’ of het Griekse ‘di.bolos’, duivel. We schrijven satan
met kleine letter ‘s’, omdat door de verbreidde demonische
invloed die satan heeft er veeleer een titel mee wordt
aangegeven. De invloed en kracht die hij soms ook door
mensen heen kan uitoefenen, wordt dan eveneens met satan
aangeduid. De Heer Jezus sprak tot Zijn discipel Petrus,
toen die Hem wilde verhinderen naar Jeruzalem te gaan om
daar de wil van de Vader uit te voeren: ‘Ga weg, achter Mij,
satan; gij zijt Mij een aanstoot, want gij zijt niet bedacht op
de dingen Gods, maar op die der mensen.’(Matt.16:23) In
alle bovengenoemde gevallen heeft de naam of titel ‘duivel’
dezelfde betekenis, namelijk: ‘lasteraar’, ‘verzoeker’,
‘scheidingmaker’ en ‘tegenstander’.
Wie het wezen van de Vader door Jezus Christus heeft leren
kennen, zal nu kunnen begrijpen wat Gods bedoeling was
toen Hij Adam in de hof plaatste. Adam moest zoals gezegd
de hof ‘bewerken en bewaren’ sterker nog, Adam had die
‘kennisboom’ waarin duisternis was gevonden moeten
rooien! In Gods onmetelijke wijsheid wil Hij Adam
inschakelen om leiding te geven aan dit hemelse
‘opruimwerk’, door de boosaardige engel satan uit de hemel
(waar Adam was binnengekomen), in de afgrond te stoten.
(2Petr.2:4) In deze hemel, waarin een boosaardige en
tegenwerkende engel tegen God was opgestaan, ging God
tot zuivering over en bij dat werk werd Zijn zoon Adam
direct betrokken. God wilde de oude hemel zuiveren indien
de mens alle verzoeken en tegenstand zou pareren en
verwerpen, doch Adam faalde en het kwaad kon in deze
gewesten blijven totdat Jezus Christus in de wereld kwam.
Vandaar ook dat straks als het totale zuivering- en
herstelwerk onder leiding van Christus Jezus is voltooid, er
sprake is van een geheel ‘nieuwe hemel’. De oude hemel
met daarin een ‘kennisboom’ van leugen en boosheid is
door Jahweh opgegeven en zal voorbijgegaan en er ontstaat
voor de heiligen Gods een nieuwe hemel, waarin geen
ongerechtigheid en liefdeloosheid meer wordt gevonden. Er
zullen zich de leden van het Lichaam van Christus
bevinden, dus mensen die het eigendom van Jezus zijn en
alle heilige engelen die bij hen horen. Met andere woorden,
door de Heilige Geest hebben zij deel aan Christus, zij eten
van de ‘boom des levens’. (Matt.4:4)
Zoals de ‘boom des levens’, ondanks de aanwezigheid van
de duivel, Zich onaantastbaar in de eerste of oude hemel
bevond, zo bevond de Heer Jezus zich ook tijdens Zijn
leven op aarde tussen het Joodse volk. Onze Heer Jezus
werd in deze zeer vijandige omgeving geboren, daar waar
satan zijn macht kan laten gelden. (1Joh.5:19) De duivel
trachtte toen Jezus nog maar een baby was, om Hem door
de soldaten van Herodes te laten vermoorden. Maar zoals
ieder kind in zijn ouders is geheiligd, is ook Jezus Christus
in zijn Vader geheiligd, en Die zorgde er voor dat Zijn
kleine Zoon aan het onheil kon ontkomen. (Matt.2:13)
Toen Jezus door de jaren heen volwassen werd en toenam
in kennis aangaande de hemelse realiteit, aanvaardde Hij,
staande met het water van de rivier de Jordaan nog aan Zijn
handen, Zijn geestelijk Koningschap. Zijn Vader gaf direct
van deze inauguratie getuigenis, door Zijn almacht, gezag
en heerlijkheid onmiddellijk aan Zijn Zoon Jezus over te
dragen. (Matt.3:17) Dit machtige heilsfeit dat een primeur
was in ‘de nieuwe of tweede hemel’, werd aan de twee
jonge mannen Johannes en Jezus in een visioen
geopenbaard. Op het moment toen de volheid Gods
helemaal in Jezus aanwezig was, zagen zij de hemel
geopend en de Heilige Geest in gedaante als van een duif
op Jezus komen en op Hem blijven. (vers 16)
God Zelf heeft behagen in de mens die geestelijk
onderscheid kan maken, voor Hem kiest en Hem lief heeft
boven alles. Christus Jezus heeft God lief boven alles,
daarom is ook de Vader altijd in de Zoon aanwezig.
Deze heeft Zijn permanente woning in Christus Jezus en in
allen die tot Zijn Lichaam behoren. (1Kor.3:23)
Omdat Jezus Christus onder de omstandigheden van de
eerste oude hemel met al zijn geweld werd geboren, daarin
onaantastbaar kon opgroeien tot Hij de volheid Gods bezat
en een afdruk van Zijn Vader was, en als eerste volmaakte
mens de duivel op alle fronten kon weerstaan, is Christus
Jezus als ‘boom des levens’ wederom in de nieuwe tweede
hemel aanwezig. Jezus is dus de Zoon van God die de taak
die Adam niet vermocht omdat hij deel aan de boze kreeg,
als ‘tweede Adam’ en geestelijk volmaakt mens, wél
volbracht. Jezus werd de eerste volmaakte mens. De eerste
mens die in de nieuwe (tweede) hemel Zijn positie innam,
zoals de Vader dat sinds Genesis voor ogen had gestaan.
Jezus kon de duivelse ‘kennisboom’ wel rooien, en daarom
kon Hij zeggen ‘de duivel komt maar heeft aan Mij
niets..’(Joh.14:30)
Met het eten van de begeerlijke vruchten die aan de
verdorven ‘kennisboom’ in de hof van Eden hingen, kregen
de inwendige mens van Adam en Eva (hun ziel) deel aan
satan en zijn duisternis, waardoor zij uiteindelijk de dood
stierven. In hun ‘binnenste’ waar de ongerechtigheid terecht
was gekomen, konden zij God niet meer ontvangen omdat
de duisternis Gods nabijheid niet kan verdragen en van
Hem wegvlucht. Dit was er de oorzaak van dat de twee
mensen die ongerechtigheid in zich droegen, angst voor
God hadden en zich voor Hem wilden verstoppen.
(Gen.3:9) Indien zij echter door te eten van de boom des
levens de woorden en de Kracht van God in hun binnenste
hadden opgenomen , had Jahweh z. het leven aan hen
kunnen geven. Wederom is dat ook in onze tijd het geval
wanneer wij het Evangelie verkondigen en mensen tot
Christus brengen en zij gedoopt kunnen worden in de
Heilige Geest, dan krijgt volgens oorspronkelijk bestek hun
inwendige mens alsnog deel aan de boom des levens en
zullen zij voor eeuwig leven. (Joh.11:25)

Ten tijde van de eerste hemel waarin Adam en Eva door
ongehoorzaamheid deel kregen aan de duisternis, waren er
dus twee onverenigbare elkaar afstotende machtsgebieden.
Als eerste en oorspronkelijke machtscentrum was er het
Koninkrijk van God, met in haar midden de ‘boom des
levens’, de Heilige Geest.
Toen er duisternis in de opstandige engel Lucifer werd
gevonden, werd deze door de Heilige Allerhoogste God
verstoten en voor alle eeuwigheden onder banden der
duisternis vastgezet. Deze duisternis bevond zich zolang de
eerste hemel duurde naast Gods licht, eveneens in de eerste
oude hemel. De duisternis was dus het éérst te vinden in de
duivel, hij is er mee gekomen en pas later bracht hij die
over op de Eva en haar man Adam. Vandaar ook dat de
duivel de voorste of ‘vorst’ der duisternis wordt genoemd.
Binnen het machtsgebied van het rijk der duisternis neemt
de satan als engel van verderf de voornaamste plaats in, hij
staat in haar centrum als ‘boom des kwaads’, want er is in
hem geen enkel goed. (Joh.8:44)
De eerste hemel bevatte dus ooit één middelpunt, het
machtscentrum rond de troon van Jahweh. Vervolgens
kwam er duisternis in de oude hemel en ontstonden er twee
aparte machtsblokken, naast de troon van God was daar nu
ook de werking van satan. Tot slot zal er weer één
machtsgebied overblijven op de Troon van God, als
Christus volkomen gestalte heeft gekregen in Zijn trouwe
en volmaakte leden, die in de Kracht van Jahweh God
iedere vorm van duisternis hebben overwonnen en
weggedaan.
Sinds het sterven van de eerste mensen Adam en Eva, hun
kinderen en de geslachten daarna (behalve Henoch), is er
een extra ‘gebied’ of toestand bijgekomen. Dit is het
dodenrijk, waarin de zielen van alle mensen terechtkomen
die door te zondigen in dienst van de boze traden, en
zodoende het loon van de zonde moeten incasseren.
De duisternis doortrekt het zielenleven en zondert hen van
God af. Tenslotte verliest de zondaar zijn aardse lichaam en
slaat hij of zij de ogen op in dit dodenrijk of hades.
Innerlijk of, ‘in de hemel’ blijft dit mens waar hij was, dus
verbonden met de zondemachten want ‘waar ter plaatse
waar de boom valt, daar blijft hij liggen’ (Pred.11:3)
De toestand waar de zondaar zich dan van bewust wordt is
die van schaamte en ‘naaktheid’, omdat hij niet bekleed is
met de gerechtigheid Gods. Dit overkwam ook de rijke man
uit Lucas 16, toen die na zijn sterven de ogen opsloeg en
uiteindelijk zag hoe arm en beklagenswaardig hij er
geestelijk aan toe was. De zondemachten hielden dit mens
d.m.v. ongerechtigheid in de dood, toen hij ook nog zijn
lichaam verloor restte hem alleen nog het contact der
demonen, die als ‘brandend vuur’ op hem overkwamen.
(Lucas 16:24)
De ziel en geest, het innerlijk van ieder mens is eeuwig.
Ook de geest van de zondaar blijft eeuwig zij het in geheel
ontluisterde toestand, in vergelijking tot de oorspronkelijke
potentie om Gods heerlijkheid te kunnen ontvangen,
voorgesteld als een ‘worm’. Dit ziet dan op het overblijfsel
van de ooit zo prachtige geestelijke statuur die de mens had
kunnen bereiken, indien men in plaats van de duisternis
voor het Licht had gekozen. Het gaat er om of men als deel
van Christus met God is verbonden en zo het leven in
geestelijke rijkdom en heerlijkheid ervaart, zowel v..r als
na het sterven. De zielen van de gestorven zondaars
daarentegen worden allemaal bijeengehouden in het rijk
van de dood, door Petrus ook wel de gevangenis genoemd.
(1Petr.3:19) Toen Jezus aan het kruis Zijn Geest aan de
Vader had overgegeven en dus weer met Kracht en
Koninklijke waardigheid werd bekleed, ging Hij binnen in
dit hemelse oord waar de zielen van alle gestorvenen tot
dan toe zich bevonden. (Ef.4:8)
Deze derde plaats of ‘toestand’ in de hemel, het aloude en
sinds eeuwen gevestigde dodenrijk, is onze Heer Jezus dus
ook doorgegaan. Dit werd zodoende toegevoegd aan de
hemelen die Hij is doorgegaan. (Hebr.4:14) Grappig om te
vermelden is dat toen Jezus het rijk van de dood betrad, dit
uit zijn voegen scheurde en de posten van de poort des
doods van hun plaats werden getild! Logisch, op Christus
die levend en met heel Zijn gevolg naar binnen ging, was
dit duistere oord niet berekend.
‘Verhoogt, o poorten, nu den boog!
Rijst, eeuw’ge deuren, rijst omhoog!
Opdat de Koning in moog’ rijden.
Wie is die Vorst, zo groot in eer?
’t Is God, d’ almachtig, Opperheer.
’t Is God, geweldig in het strijden.
Verhoogt, o poorten, nu den boog!
Rijst, eeuw’ge deuren, rijst omhoog!
Opdat g’ uw Koning moogt ontvangen.
Wie is die Vorst, zo groot in kracht?
’t Is ’t Hoofd van ’s hemels legermacht;
Hem eren wij met lofgezangen.’
(Ps.24:7-10 berijmd)
Degenen die daar verbleven, ondanks dat zij tijdens hun
leven God hadden gezocht en het goede wilden doen maar
faalden door gebrek aan kennis, werden eveneens door
Jezus vrijgemaakt en meegevoerd naar Zijn Koninkrijk, en
kregen deze goedwillende zielen alsnog deel aan de
levensboom. Onder hen bevond zich bijvoorbeeld ook
Abraham, die tijdens zijn leven reeds had uitgezien naar de
stad waarvan God de Ontwerper en Bouwmeester is.
(Hebr.11:10)
Ook hij kreeg een van de vele woningen in het paradijs
Gods, dankzij Christus Jezus die geen rechtvaardige
verloren laat gaan maar hen allen redt. Onder hen was zelfs
de ex-moordenaar aan het kruis, want Jezus had hem zijn
zonden vergeven toen hij Hem als Koning en Redder had
erkend. (Luc.23:43)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *