De sleutels

De sleutels
Jezus zegt: ‘Ik ben dood geweest, en zie, Ik ben levend tot
in alle eeuwigheden, en Ik heb de sleutels van de dood en
het dodenrijk.’ (Opb.1:18b) Dit is een van de machtigste
heilsfeiten van het Evangelie Gods, dat Christus Heer is en
dus gezaghebber over de dood en het dodenrijk. Door Zijn
volbrachte werk zal de mens die in Hem gelooft en Zijn
Woord gehoorzaamt, van de dood geen schade lijden.
Omdat het dodenrijk haar macht geheel door Jezus Christus
werd afgenomen en de Heiland het voor zondaars mogelijk
heeft gemaakt om door wedergeboorte een nieuwe
schepping te worden, zullen de gelovigen daardoor in de
opstanding ook hun gestorven geliefden terugontvangen.
(1Kor.15:35-49) Het geheim van de dood is dat hij wordt
afgeschaft in het leven van een mens, zodra die Jezus’
aanneemt en Zijn Geest ontvangt. Het gevolg is dat ook het
dodenrijk dit mens nimmer in haar macht krijgt, want wie
de dood in eeuwig niet zal zien of smaken kan ook niet als
slachtoffer in haar rijk worden afgevoerd. (Joh.8:51)
Christus sprak over hen die deel van Zijn Lichaam zijn
geworden: ‘de poorten van het dodenrijk zullen haar er niet
onder krijgen.’ (Matt.16:18b)
Een poort of portaal (Fr.) vormt een afgesloten doorgang
die toegang biedt tot een heel groot bouwwerk. De
overdekte poorten van het dodenrijk, waar alle mensen door
te zondigen ‘onderdoor gaan’, zijn de demonen, de onreine
geesten die elk mens aanvallen en zodra zij kunnen hem
door de zonde afsnijden van het Leven. Bij de
overweldigde mens veroorzaken zij de ‘duisternis des
dood’, waardoor ze ook doodsmachten genoemd kunnen
worden. De onreine geesten beschikken jegens de mensen
die niet het eigendom van Christus zijn over deze macht
hen in de geestelijk dood te brengen, zij vormen voor hen
de machten van de dood. De poorten of de toegang tot het
dodenrijk zijn deze boze geesten in de hemelse gewesten.
(Ef.6:12) De dood ontleent zijn prikkel of werking aan deze
geesten der duisternis, die deel aan een mens kunnen
krijgen zodra deze tot overtreding overgaat. Zodra echter de
zondaar kennis van het Evangelie van Jezus krijgt en zich
tot Jahweh God bekeert, kan hij door de wedergeboorte om
de Geest van Christus vragen en ontvangt hij Gods Kracht
om de boze geesten te weerstaan en te overwinnen. De Heer
Jezus zelf ging de gehele weg des doods tot en met de
kruisiging, waarbij de demonen Hem niet in de dood onder
konden houden want Jahweh verbrak de weeën van de
dood. (Hand.2:24)
Zo zal nu volgens de Meester iedereen die tot Zijn Lichaam
behoort ook niet in de last van ziekte of problemen
vastgehouden kunnen worden, want opnieuw zal dezelfde
Kracht van de Heilige Geest zich laten gelden en dit
rechtvaardige mens verlossen. (2Kor.1:10)
Dit geheim van de dood werd door Jezus en Johannes de
Doper tijdens Zijn doop in water uitgebeeld. Het geheim
van de opstanding werd met Zijn opstijgen uit het water
daarbij eveneens uitgebeeld. De waterdoop van Jezus beeldt
Zijn ondergaan en verblijf in de dood uit, om vervolgens
Zijn opstanding uit de dood te verbeelden; toen Hij met de
Kracht en de heerlijkheid van God werd aangedaan. De
gerechtigheid Gods, dus hetgeen met Zijn gedachten
overeenkomt, is dat een mens die zich met zonden belaadt
de dood verdient. Deze komt in de duisternis van de dood,
dat wil zeggen onder de controle en in de machtssfeer van
de boze geesten. Voor een korte tijd stond Jezus beneden de
demonische engelen van het rijk van satan die Hem konden
belagen en pijnigen; dit is de sfeer van de dood angst, pijn
en aftakeling. (Hebr.2:7) Als de heerlijkheid door de
zalving van de Heilige Geest ontbreekt, treedt uiteindelijk
bij ieder mens dit doodsklimaat in. De verloren zoon uit
Lucas 15 was dood, toen hij bij zijn vaders huis vandaan in
een ‘ver land’ in nood en ellende zat. Toen hij echter later
weer door zijn vader kon worden omhelsd, werd hij weer
levend en kon hij met heerlijkheid worden aangedaan.
(Luc.15:22)
Tijdens de gevangenneming in de Hof van Getsemane,
wordt met een uitspraak van Jezus deze ‘korte tijd’, dit ‘uur
der boze’ ingeleid. Als daar met de hulp van Judas een
afdeling Romeinse soldaten de Heer Jezus heeft kunnen
vinden, zegt Hij hun: ‘Ik zeide u, dat Ik het ben. Indien gij
dan Mij zoekt, laat dezen heengaan’ (Joh.18:8) Dan gaat
voor Hem de voorziene ellende beginnen, als de hemelse
beschikking over Hem aan satan wordt overgegeven. Ook
later die dag, nadat Jezus door de Joden is bespot en
geslagen en aan Pilatus wordt voorgeleid, luidt Zijn
antwoord hierover: ‘Gij zoudt geen macht tegen Mij
hebben, indien het u niet van boven gegeven ware’
(Joh.19:11) Jezus nam vanaf Getsemane vrijwillig de
zondeschuld van vele zondaren op Zich en deelde daardoor
Zelf in het loon der zonde en kwam dus ook onder het
beslag van de boze geesten. De alles te bovengaande
heerlijkheid en de Kracht van de Hoogheilige God Zelf,
kon Hij niet langer op Zijn Zoon leggen, nu Jezus deel had
gekregen aan de onreine geesten. Dit was bij Jezus het
geval. (1Petr.2:24) De Geest van Zijn Vader was om die
reden van Hem geweken, daarmee echter vervulde Jezus
tevens de Schriften. (Ps.22:2) Zonder Gods bescherming
hadden boze geesten voor het eerst vrije toegang tot Hem,
en voerden zij heerschappij over Hem. Voordien hadden de
heilige engelen Gods er immers onafgebroken op toegezien
dat de Heiland Zijn voet niet aan een steen zou stoten.
(Ps.91:12)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *