De nieuwe naam die wij dankzij Jezus ontvangen is ‘Christus’, deel van Hemzelf!

De nieuwe naam die wij dankzij Jezus ontvangen is
‘Christus’, deel van Hemzelf!
CHRISTUS is Het Wezen dat van het niveau van God Zelf
is, Zij is als vrouwelijke tegenhanger de Partner van God.
In Haar vindt de Allerhoogste Zijn welbehagen, en met
Haar wil HIJ voor eeuwig samen zijn. Deze Vrouw is de
heerlijkheid van Haar Man. (1Kor.11:7) Dit goddelijk
Wezen, Christus, is van voor alle tijden het doel en het
uitgangspunt van onze God geweest om met de ganse
schepping een aanvang te maken. Alle dingen in de hemel
en op de aarde zijn door Hem geformeerd, met maar één
doel; IK GOD, wiens Naam is ‘IK zal worden wat MIJ ook
behaagt’, zal Christus in volheid tevoorschijn brengen.
Dit was de reden dat HIJ zei ‘Er zij licht’, dit was de reden
dat de hemel werd geschapen en de aarde met heel zijn
bedekking. Dit was het motief om de mensen naar ZIJN
beeld als ZIJN gelijkenis te formeren en dit was de
gedachte achter het Paradijs, de ‘Hof der lust’. In het Grieks
wordt Paradijs vertaald met Periteichos, dit woord geeft aan
dat er een muur omheen staat. In de ogen van de religieuze
Joden was de zonde van Jezus, dat Hij door te zeggen een
Zoon van God te zijn, Zich aan JaHWeH gelijk stelde.
Komende van de God van Abraham, Isaak en Jacob, moest
deze Joodse elite dus erkennen dat de oorsprong, het wezen
en de aard van Jezus daarmee van het allerheiligst niveau
was, van God. Binnen het jodendom betekent het paradijs
de plaats waar de ziel van de dode naar toe gaat en waar die
terugkomt bij God, de oorsprong van alle leven. Joden
noemen het paradijs Gan Eden. Doch om bij God te komen
en met Hem verbonden te worden, moesten zij Jezus
aannemen en erkennen dat Hij het leven is; de Boom des
Levens in het Paradijs Gods. Jezus Zelf was de eerste mens
die aan de volledige verwachting van God voldeed en van
wie Hij kon zeggen:
‘Zie, mijn knecht, die Ik ondersteun; mijn uitverkorene, in
wie Ik een welbehagen heb. Ik heb mijn Geest op hem
gelegd: hij zal de volken het recht openbaren.’ (Jes.42:1) Zo
had de Schepper het van v..r de grondlegging der wereld
voor ogen gehad; de mens waarin Hij, de Heilige
levendmakende Geest Zijn woning kon hebben. Hijzelf en
de menselijke geest, waarnaar Hij vurig verlangt en begeert
om haar te verhogen, te koesteren en te beminnen, zijn
samen in Christus. Dit nieuwe wezen, waarin de
Allerhoogste Zelf en de menselijke geest tot één geheel
worden, is Christus, en daarvan werd Jezus de eerste. Hij
was daarmee de eerste van deze nieuwe schepping. In Hem
(Christus) valt het onderscheid tussen mens en God weg;
Hij is één wezen, Hij is ‘de mens Gods’ tot alle goed werk
volkomen toegerust. (2Tim.3:17) In Jezus Christus is God
‘alles’, zoals Hij, nadat alle herstelwerkzaamheden zijn
gedaan respectievelijk ‘alles in allen’ zal zijn. (Kol.3:11)
Paulus schreef eerder in de Kolossenzenbrief over de Heer
Jezus: ‘want in Hem woont al de volheid der godheid
lichamelijk’. (Hoofdstuk 2:9) Daarom zal in Jezus’ Naam
zich alle knie buigen omdat wij mensen door Hem deel
krijgen aan Christus, waarvan Hij het Hoofd is en wij
dankzij Hem opstandingsleven hebben. In Christus heeft
God Zijn woning en op Hem hebben duivel, dood of
dodenrijk geen enkele uitwerking. Christus met Jezus haar
Hoofd, is het cumulatief van mensen die van Jezus zijn en
die door de eeuwen heen naar Hem hebben uitgezien, maar
ook zij die in de eeuwen na Zijn hemelse verhoging aan
Zijn geestelijk lichaam als woning Gods zijn toegevoegd.
(Matt.13:17/Joh.14:2)
Dan zijn er nog de miljoenen van onze moderne tijd die
geloven in de doop met de Heilige Geest en Hem dankbaar
aanvaarden, en daar getuigenis van geven door zich in
water te laten onderdompelen. Ook in de tijd die na onze
generatie zal komen zullen er vele mensen zijn die door het
Woord Gods Zijn beloften in geloof zullen aanvaarden en
zij zullen eveneens ontvangen. Het geheel of de volheid van
Christus – Jezus mét Zijn Lichaam – is op deze wijze aan
het groeien en toenemen en op weg om de geprofeteerde
ontelbare schare van mensen te vormen. (Opb.7:9)
Christus is de nieuwe schepping die door Jezus in de wereld
kwam, Hij was daarvan de eerste en Hij gaat voorop.
Vervolgens alle mensen van alle tijden die door de doop in
de Heilige Geest werden en nog worden ingevoegd in het
Lichaam van Christus; zij zijn dus allen van deze schepping
Gods. (2Kor.5:17) Wanneer dit Lichaam waar de
Allerhoogste in woont belaagt of verdrukt wordt, dan zal
God Zelf voor uitkomst zorgen. Dit was immers ook zo
toen het oude bondsvolk nog onder Gods bescherming
stond, JaHWeH zal voor de Zijnen strijden en Hijzelf zal de
vijanden overwinnen. Deze zekerheid en het geloof in de
uitkomst van de Almachtige Vader, geeft de vaste
gemoedsrust bij hen die van Christus zijn. Toen het oude
bondsvolk door de gewelddadige Farao werd vervolgd, was
het ook de Heer Zelf die het vijandige leger versloeg.
Mozes de knecht van God, die in gehoorzaamheid het volk
leidde belijdt deze verlossing door de Heer, wanneer de
strijdwagens van de Farao het Joodse volk aan de zee bij
Pi-Hachirot hebben ingehaald: ‘Vreest niet, houdt stand,
dan zult gij de verlossing des HEREN zien, die Hij u heden
bereiden zal; want de Egyptenaren, die gij heden gezien
hebt, zult gij nimmermeer zien. De HERE zal voor u
strijden, en gij zult stil zijn.’ (Ex.14:13,14) Hoog verheven
in de hemelen tabernakelt de Waarachtige God op Zijn
Heilige Berg. Dit is het waarachtige hemelse Sion-gebergte,
waarvan de berg Sion in het Midden-Oosten ooit een beeld
of afschaduwing was. In het aardse Jeruzalem werd de
tempel van koning Salomo met haar fundamenten op de
berg Moria (Sion) gebouwd, daarmee was zij een
uitbeelding van de dingen die in de hemel plaatsvinden. De
heerlijkheid van God op de grote witte troon in het
Koninkrijk van de hemel, daaraan had de Heer Jezus deel
v..r Hij in de wereld kwam. (Joh.17:5) Hij kwam van de
boezem van de Vader om als eerste mens de unieke nieuwe,
uit God geboren schepping te worden. Jezus kwam dus
vanuit dit machtscentrum van het Koninkrijk Gods in de
hemel, van de top van Zijn Heilige Berg, om in de wereld
die in duisternis is gelegen, als baby tevoorschijn te komen.
Terwijl Jezus in de wereld opgroeide (het werkgebied van
de duivel) werd Hij door Zijn Vader bij wie Hij vandaan
kwam geheiligd, dus afgeschermd en afgezonderd van de
zondemachten.
Als geheiligd kind van God groeide Jezus op en leefde als
rechtvaardig mens in het domein van Gods vijand de boze,
om te wachten tot de tijd vol of rijp was om aangedaan te
worden met Kracht uit de hemel. Met andere woorden,
Jezus ontving de Heilige Geest Die in Hem woning kon
maken vanwege Zijn zondeloosheid. Dit wil de Schepper
voor alle mensen, Hij wil immers niet dat er ook maar één
mens verloren gaat, dus ten prooi zal vallen aan de
demonen, want wij zijn zeer kostbaar in Zijn ogen.
(Matt.18:14) Vanaf de doop in de Jordaan, waarbij Jezus als
eerste mens de majesteit, het gezag en de autoriteit van de
Heilige Geest ontvangt, wordt Jezus verheven in de hemel
en neemt Hij Zijn voorbestemde plaats in als Koning van
God. Jezus is nu de Kyrios die door Zijn grote gezag en
majesteit vanuit de hemel functioneert op aarde, vanuit
Gods Troon boven op de heilige Berg waar Jezus omringt
door de heilige engelen Gods Zich als eerste Mens bevindt.
(Hebr.1:6) Deze grootste van alle geestelijke bergen beeldt
de Heilige Geest uit en Die is volkomen één met Jezus.
Vandaar dat Jezus kon zeggen; ‘Voorwaar, Ik zeg u, wie tot
deze berg zou zeggen, hef u op en werp u in de zee, en in
zijn hart niet zou twijfelen, maar geloven, dat hetgeen hij
zegt geschiedt, het zal hem geschieden.’ De demonen die
ook geestelijke bergen voorstellen zijn in kracht en gezag
ondergeschikt aan de Almachtige God. (Mar.11:23)
Hoort nu een mens van de rechtvaardiging door de
vergeving van zonden in de naam van Jezus, kan ook die
mens rekenen op de belofte van de Vader en die in
ontvangst nemen. (Matt.6:6) Geestelijk gezien wordt hij of
zij in de hemel overplaatst vanuit de plaats der zonde naar
de Berg van God, vanuit duisternis in Zijn licht, vanuit de
doodstoestand van de geest overgegaan in Het Leven van
Jezus. (Kol.1:13) Eérst zijn wij zondaren, vervolgens
rechtvaardigen door ons geloof in Jezus, vervolgens kunnen
wij Zijn levenskracht uit de Hoge ontvangen die ook .ns
zal verhogen: CHRISTUS. De grote ommekeer van
zondaren naar rechtvaardigen is mogelijk vanwege ons
geloof in de Heer Jezus Christus. Wat geloven wij dan? In
de eerste plaats dat Jezus voor de straf, die wij door
liefdeloosheid en zonden uit ons oude zondige leven
hadden verdiend, met Zijn eigen goede leven heeft betaald.
Hierdoor zijn wij zonder zonde want deze zijn immers
volkomen vergeven, een betere of grondiger manier om van
onze zonden af te komen is er niet. Voor de Vader die
hiervoor Zijn Zoon moest overleveren betekent dit dat HIJ
op rechtvaardige basis met deze nieuwe mens in contact
kan treden, wij zijn dan ook volledig onschuldig geworden.
De doorbraak omtrent dit heilsfeit is vooral gekomen toen
de kinderen Gods de tekst waarmee Romeinen 5 begint in
geloof tot zich namen: ‘Wij dan, gerechtvaardigd uit het
geloof, hebben vrede met God door onze Here Jezus
Christus’.
De oude schuldige mens waarover ook gesproken wordt in
Romeinen 6:6, is door de doop in Jezus dood voor eeuwig
prijsgegeven aan de duisternis. Het oude paspoort met
daarop de oude criminele naam van onze oude zondige
natuur vanwege de overtredingen op Gods levenswetten,
werd toevertrouwd aan Jezus die hem meenam in de dood
en daar achterliet. Een zondig mens is immers niet bij
machte om op te staan uit de dood, waardoor wij voor
eeuwig af konden rekenen met onze oude identiteit van
zondaar, deze bestaat niet meer! Nu wij leven komt dat door
onze nieuwe identiteit als rechtvaardige, door Jezus
opstanding ‘tussen de doden uit’ als onschuldige en
zondeloze mensen. Nu de oude mens met zijn oude
identiteit is verdwenen, hebben wij ons ook van zijn oude
naam ‘zondaar’ kunnen ontdoen. Het karakter dat bij de
oude identiteit hoorde zijn wij dankzij Christus geheel
kwijt. Wij zijn door het geloof in Hem een nieuwe
schepping en hebben de oude onnutte zondige mens met
zijn status prijsgegeven. De zondemachten waar wij ooit
mee verbonden waren, zijn doordat Christus ons kocht en
bij Zich opnam krachteloos geworden. (Rom.6:6) Met de
oude naam of titel werd de oude zondige persoon
geďdentificeerd, wiens wezen en karakter werd samengevat
met de oude, toen bij hem best passende naam. In Christus
Jezus is er voor een dergelijke naam als zondaar geen plaats
meer daarom geeft Hij ieder die deel van Hem wordt een
nieuwe naam; ‘Wie overwint, hem zal Ik geven van het
verborgen manna, en Ik zal hem een witte steen geven en
op die steen een nieuwe naam geschreven, welke niemand
weet, dan die hem ontvangt.’ (Opb.2:17) De witte steen
waar de Heer Jezus hier over spreekt, geeft de volkomen
onschuld aan van de mens die de steen ontvangt.
Dit beeld is ontleend aan de oude antieke rechtspraak,
waarbij de raad de verdachte door middel van het naar
voren schuiven van een zwarte steen schuldig verklaarde.
Wanneer echter door de rechter bij zijn oordeel een witte
steen ter hand werd genomen, was de verdachte vrij.
De naam van een wezen drukt de geaardheid uit, dit zien
we ook bij Adam die in de hof al het gedierte een naam gaf.
Het inzicht van Adam moet enorm geweest zijn, om de
veelheid van dieren te kunnen doorgronden en om die
allemaal te ordenen en een passende klank of naam bij hen
te bedenken. (Gen.2:19)
Noemt iemand de naam van een dier dan heeft dat reeds
inhoud en betekenis. Zeggen wij bijvoorbeeld ‘wolf’, dan
vormt zich in ons hoofd een heel andere voorstelling wat de
aard betreft, dan dat wij zeggen ‘schaap’. Van de naam wolf
gaat vrees en verscheuren uit terwijl schaap staat voor
ongevaarlijk, zachtaardig en volgzaam. Zo hebben mensen
in de geschiedenis diverse bijnamen gekregen waarmee hun
karakter op bijzondere manier werd aangeduid en
omschreven. Denk aan ‘Ivan de Verschrikkelijke’, de eerste
Tsaar of bvb. ‘Alexander de Grote’, veroveraar van Perzië
en Egypte, voor wie de naam ‘Alexander de Gruwelijke‘
misschien beter op zijn plaats was geweest. Vanwege de
dingen die zij deden wordt er dus iets aan de naam en
daarmee aan het wezen van een mens toegevoegd! De naam
of bijnaam is dan niet alleen synoniem van zijn karakter,
maar vooral voor de dingen die hij deed. De identiteit, het
wezen en de naam, zijn tot de dood toe onlosmakelijk met
elkaar verbonden. Zo heeft de mensheid vanaf Adam en
Eva door hun overtredingen en gebrek aan liefde om de
Vader te gehoorzamen, iets aan hun naam toegevoegd. Zij
zijn allemaal zondaren geworden door de zonde te doen.
(Rom.3:23) En het loon wat de zonde geeft is de dood.
(Rom.6:23) Dit is er de oorzaak van dat wanneer een mens
eenmaal ongehoorzaam wordt en gaat zondigen, hij in de
ellende terecht komt. Zo kwam ook onze Heer Jezus, toen
Hij de zondeschuld van de hele mensheid op Zich nam in
grote ellende en benauwenis. (Marc.14:33,34)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *