De hemel

De hemel
Er is over God en de Bijbel in de afgelopen eeuwen al heel
wat geschreven, het is zelfs zo dat er over Jezus Christus in
de wereldgeschiedenis meer is gesproken en geschreven
dan over ieder ander mens. Hoe kan het dan toch dat er over
de glorieuze plannen die Hij met ons leven heeft zoveel
onwetendheid bestaat? En dan hebben we het nog niet eens
gehad over de wijze waarop Hij het mogelijk maakt dat wij
onze verheven hemelse en gelukzalige bestemming zullen
realiseren. Dit is voor het merendeel der mensen des te
meer ‘terra incognito’, volledig onbekend terrein. Waarom
is authentieke informatie over dit onderwerp niet bij veel
meer mensen bekend? De waarheid die God in Zijn
boodschap aan ons heeft gericht is steeds door toedoen van
de vijand, dikwijls van generatie tot generatie voor heel
veel mensen verborgen gehouden. (Matt.13:19)
Om de geheimen van en over God bekend te maken dienen
wij ze vanuit de verborgenheid tevoorschijn te halen, zodat
ze voor iedereen zichtbaar en duidelijk worden.
Je zou kunnen zeggen dat ze nu nog ‘verstopt’ zijn en er op
wachten tot ze geopenbaard worden. Waarin zijn deze
waarheden verstopt? In een onzienlijke wereld. De
onzienlijke wereld wordt door God ‘het Koninkrijk der
hemelen’ genoemd. Het was aanvankelijk niet Gods
bedoeling dat dit een ‘hemel van geheimen’ zou zijn, maar
dat is ze ondertussen wel geworden. Hij nodigt ons nu dan
ook uit om de hemel in te gaan en de waarheden te
ontdekken, om de kostelijke feiten omtrent Hem, over u
maar ook over de vijand te ontdekken. Eenmaal op de
goede weg dienen wij bereid te zijn strijd te leveren om dit
hemels Koninkrijk binnen te gaan. Nu wij Christus’
onderwijzing hebben ontvangen dienen wij
‘wederomgeboren’ te worden en daar vervolgens getuigenis
van te geven door ons in water te laten dopen, opdat wij zo
de Heilige Geest kunnen ontvangen. Deze doop is nodig
ondanks wat anderen, die zelf in de zonde blijven, daar ook
van zullen vinden. (Luc.13:24)
Of men het zich nu bewust is of niet, het kenmerkende van
het wezen van een mens is dat hij in twee dimensies tegelijk
aanwezig is. Behalve onze natuurlijke lichamen met zijn
ontelbare variaties in lichaamsbouw haarkleur of
huidskleur, heeft een ieder van ons een met het natuurlijke
oog niet waarneembare inwendige mens die bestaat uit
geest en ziel.
Wij bewegen ons om het maar eens zo te zeggen allen met
ons lichaam van ‘vlees en bloed’ in de zichtbare stoffelijke
wereld. Is dat niet meer zo dan zijn wij gestorven en zijn we
geen natuurlijke personen meer maar keren onze versleten
lichamen tot stof terug. Wat ons dan nog rest is het
onstoffelijke deel dat in de geestelijke wereld aanwezig was
en blijft.
Met dit onstoffelijk of ‘geestelijk lichaam’ dat wij allen
bezitten kunnen wij dan in de wereld der geesten Verder
functioneren, mits wij tijdens ons aardse leven de keuze
hebben gemaakt om ons leven te schenken aan Christus.
Met de eigendomsoverdracht van onze gehele existentie aan
Christus, die overigens wordt uitgebeeld in de waterdoop,
komt ons geestelijk lichaam door Hem tot leven; geestelijk
staan wij met Hem op uit de dood. Wij hebben de prediking
van het Evangelie van Jezus Christus belangrijker gevonden
dan onze oude eigen waarde en hebben Zijn woord geloofd
en houden het vast. Naar de ‘mens des harten’ zijn wij door
Christus’ woord tot ons te nemen ‘opnieuw geboren’ of
wederomgeboren, ditmaal niet vleselijk maar onze ‘ziel’
kwam door Hem tot leven.
De zeer vele mensen die nimmer op de juiste wijze het
evangelie van Christus hoorden en daarmee de rechte
prediking van Zijn woord dus ook niet vernamen, die
blijven zonder dit te weten onder de macht der demonen.
Dikwijls bedoelen zij het goed maar in de praktijk van het
dagelijks leven zijn zij slaaf van de onreine geesten en doen
zij tegen hun wil de zonde. (Rom.7:15) Als de oprechte
personen zouden weten langs welke weg zij verlossing
konden ontvangen, zouden zij daar onmiddellijk gebruik
van maken. Slechts Christus maakt de mens waarlijk vrij en
Zijn Geest kan pas dan tot ons komen nadat wij de
rechtvaardigheid door Zijn vergoten bloed aanvaarden,
waarna ook de zalving met kracht uit de hoge kan
geschieden. (Hand.1:8)
De zondaar die bewust niets van de Heiland weten wil blijft
uiteraard eveneens in de duisternis, maar dat is door de
verwerping van Gods woord zijn eigen keuze. De geest van
zo’n mens kan niet wedergeboren worden en dus ook niet
geestelijk ‘ontwaken en opstaan’ (Ef.5:14). Naar zijn geest
en ziel gesproken blijft zo iemand dus een ellendige en in
de macht van de demonen en de dood, al heeft hij op aarde
misschien een vorstelijk bestaan. (Luc.16:19)
Wie op Christus Jezus’ oproep ingaat zich tot God te
bekeren en te laten dopen, wordt door de geestelijke
geboorte overgeplaatst vanuit de duisternis in het licht en
vanuit satans macht in het Koninkrijk van God. Bij het
sterven neemt zo’n gelovige en naar de geest reeds
levendgemaakte mens, volledig zijn intrek bij Jezus en blijft
hij in Zijn Koninkrijk. Zo sprak ook Paulus de hoop uit om
na het vele evangelisatiewerk dat hij had verricht voortaan
van aangezicht tot aangezicht bij Hem te zijn. (2Kor.5:1-5)
Nadat Jezus Zelf lichamelijk gestorven was betrat Hij met
Zijn geestelijke lichaam het dodenrijk of Hades. Vanwege
het geboeid zijn van haar bezoekers wordt dit rijk van de
dood ook wel de gevangenis genoemd. (1Petr.3:19)
Alle mensen die Jezus niet kennen en Hem nog niet hebben
aangenomen blijven bij hun sterven waar zij reeds zijn nl.
in de duisternis waaraan de zonde hen verbindt. Volgens de
Griekse maar ook de Romeinse oudheid had de
onderwereld een zeer gruwelijk gedeelte, de zogenaamde
Tartarus. Hier werden de geesten van de doden naartoe
gestuurd van hen die bijzonder slecht hadden geleefd en de
gruwelijkste dingen hadden gedaan. En zo is het ook, hoe
meer en groter zonde men heeft verricht des te meer
pijniging en smart na het sterven ervaren zal worden.
Zij ontwaken daar, maar dan met een geestelijk lichaam
geketend aan demonen. Hoe meer contact iemand met de
boze geesten heeft opgenomen en hoe meer men in dienst
van de demonen heeft gehandeld, des te meer men zal delen
in de duisternis van deze verderfelijke geesten. De
nabijheid van deze geestelijke geweldenaren wordt na het
sterven niet meer afgeleid door dingen uit de stoffelijke
wereld waardoor hun aard nog enigszins gecamoufleerd
kon worden, eenmaal gestorven ervaart de mens hun
gezelschap als ‘vuur’ dat op hem inbrandt.
Dit overkwam bijvoorbeeld de rijke man in tegenstelling tot
Lazarus, doordat hij zich voor zijn arme en hulpbehoevende
medemens had afgesloten. De pijniging die de rijke man na
het sterven ervoer was het gemis aan bewegingsvrijheid, die
hij door de zondemachten, die met hem op dezelfde plek
werden vastgehouden, moest ondergaan. Iedere geest die
zich niet vrij kan bewegen zal dit als pijniging ervaren. De
demonen die de rijke tijdens zijn onbarmhartige en
overdadige aardse leven zo lang hadden vergezeld, kwamen
nu met hem in dezelfde kerker van het dodenrijk terecht.
Daar hielden de cipiers onder leiding van Hades hen
tezamen vast en werkten de eeuwige kwelling van de
demonen onafgebroken op de man in, nu hij zijn ogen had
opgeslagen in de geestelijke toestand die hem restte.
Zijn liefdeloosheid hield de rijke meneer in de duisternis,
niet zijn rijkdom. Door die juist niet te gebruiken in dienst
van zijn naaste Lazarus, was die rijkdom echter wel het
middel waarmee hij zijn liefdeloosheid demonstreerde. De
rijke man was liefdeloos jegens zijn naaste en maakte
daarmee duidelijk in dienst van satan te staan, hij wilde de
aard van zijn heer tonen en voor hem was Jahweh niet van
belang. Alles wat de man voor zijn leven in rijkdom en
overdaad nodig had daarin wilde hij zelf voorzien, hij
richtte zijn leven naar eigen dunken in en God had hij daar
nergens bij nodig. Wie meent in eigen kracht te kunnen
staan en zonder God te kunnen standhouden, die gelijkt op
de duivel en zal uiteindelijk geheel ten onder gaan. Lazarus
bezat geen enkele pretentie en stelde zich in zijn armoede
op in afwachting wat hij van God en zijn naaste ontvangen
zou. De naam Lazarus is de Latijnse vorm van het Griekse
Lazaros, dat ‘God heeft geholpen’ betekent.
De rijke had de arme Lazarus eenvoudig en praktisch
kunnen helpen door hem van voedsel te voorzien. Zijn
rijkdom en zijn dienst aan mammon weerhield de rijke
ervan zijn liefde op zijn medemens te richten, terwijl dit
toch de eis der koninklijke wet is: God liefhebben Bożen
alles, en je naaste als jezelf. (Matt.22:37/39) Hij moest niet
zijn rijkdom bovenaan zetten want hierdoor werd de
aandacht van de naaste afgewend en bleef er slechts
aandacht en liefde voor hemzelf over! Dit ‘solo ego’ of
anders gezegd ‘ik ben belangrijker’ en ‘ik kan het zonder
God’, houdt geen rekening met Jahweh en dus ook niet met
de naaste en is daarmee vanzelfsprekend geďnspireerd door
de duivel. Wij weten dat de boze ook zo denkt en dit bracht
hem ten val, hij werd van God afgesneden en prijsgegeven.
(Ez.28:16)
De inwendige mens is onder andere verantwoordelijk voor
ons karakter. Hier bevinden zich onze overwegingen, onze
emoties en onze keuzes. Binnen in ons neemt onze
creativiteit een aanvang en worden onze gevoelens geboren
wanneer wij bijvoorbeeld verliefd worden of als wij houden
van onze kinderen. Met onze inwendige mens kunnen wij
ook denken en dromen en maken wij in de geest soms de
meest opmerkelijke en fantasierijke reizen, terwijl ons
vleselijk lichaam in bed ligt of op een stoel in de
woonkamer zit.
Een ander kenmerk van onze inwendige mens is dat we
daarmee geloven. ‘..want met het hart gelooft men tot
gerechtigheid en met de mond belijdt men tot behoudenis.’
(Rom.10:10) ‘Hart’ is hier beeldspraak voor de innerlijke
mens. Geloven is het wezenskenmerk waaraan elke geest
herkent kan worden. Zowel de goede geesten hebben geloof
maar ook de vijandige geesten hebben geloof. ‘ook de boze
geesten geloven dit, en zij sidderen’ (Jak.2:19)
Indien wij met ons hart de woorden van de Heer Jezus
geloven, zullen wij volkomen vrij worden en zal voor ons
niets meer onbereikbaar of onmogelijk zijn. Wij zullen
onder leiding van de Geest van Christus bij machte blijken,
de verheven bestemming waartoe de goede Vader ons heeft
geschapen te behalen en die in te nemen. (Mar.11:23/24)
De duivel is hier eveneens mee op de hoogte en hij weet
van de potentie die er in een mens schuilt, indien hij of zij
in God de Vader gaat geloven en door Jezus Christus Zijn
leven ontvangt. Het is de boze er daarom alles aan gelegen
te voorkomen dat mensen het Woord van God zullen horen
en het in hun ‘hart’ zullen bewaren, zodat er kracht aan
verleend kan worden. Dit Woord immers brengt al de
verborgen waarheden aangaande Gods rijkdom aan het licht
en doet de gelovige opgroeien in gerechtigheid en maakt
hem volmaakt ofwel volkomen. Hiermee is dit mens dan
nutteloos voor de duivel geworden, want hij komt nog wel
om te verzoeken maar vindt in hem niets meer waarmee hij
hem tot zonde kan brengen. (Luc.8:12 en Joh.14:30)
‘Maar toen de pachters hem zagen, overlegden zij met
elkander en zeiden: Dit is de erfgenaam: laten wij hem
doden, opdat de erfenis voor ons zij.. ’ (Luc.20:14) De
duivel wil niet dat de mens Christus aanneemt en deel van
Hem wordt om daarmee het volledige kapitaal en vermogen
van God in ontvangst te nemen, dat wil hij met geweld zelf
hebben want zijn doel is het om zelf god te zijn.
Met ons geloof kunnen wij de dingen van de onzienlijke
wereld pakken en vasthouden, zoals bijvoorbeeld een
gesproken woord of gedachten die wij ons bij het lezen
vormen. Nemen wij op die manier de uitgestoken Hand van
God, Jezus Christus aan dan verzamelen wij schatten in de
hemel doordat wij de waarde van God tot ons eigendom
maken. (Matt.6:20) Het Woord van God wordt dan op deze
wijze voor ons het ‘manna uit de hemel’ dat door onze geest
wordt opgenomen of geconsumeerd, zoals ook ons aardse
lichaam stoffelijk voedsel nodig heeft om te kunnen
functioneren.
Eten wij in de onzienlijke wereld het goede dan ontvangen
wij daardoor leven voor onze ziel en geest, nemen wij het
slechte tot ons dan maakt ons dat innerlijk ziek en sterven
we een geestelijke dood. Zo sprak de Heer Jezus: ‘Er is
geschreven: De mens zal bij brood alleen niet leven, maar
bij alle woord, dat door den mond Gods uitgaat.’ (Matt.4:4)
‘Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Mozes heeft u niet gegeven
het brood uit den hemel; maar Mijn Vader geeft u dat ware
Brood uit den hemel. Want het Brood Gods is Hij, Die uit
den hemel nederdaalt, en Die der wereld het leven geeft. Zij
zeiden dan tot Hem: Heer, geef ons altijd dit Brood. En
Jezus zeide tot hen: Ik ben het Brood des levens; die tot Mij
komt, zal geenszins hongeren, en die in Mij gelooft, zal
nimmermeer dorsten.’ (Joh.6:32-35)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *